


De Bezige Bij heeft het Kindercomité gedurig van de benodigde middelen kunnen voorzien. De uitgeverij beschikte over een groot reservoir aan personen, die bereid waren het gevaar van opgepakt te worden te trotseren, en de publicaties aan de man brachten. De inkomsten die De Bezige Bij ermee verwierf worden op 800.000 gulden geschat, toentertijd een zeer aanzienlijk bedrag. Het Utrechts Kindercomité bezat een uitstekend team van medewerkers en medewerksters, die natuurlijk beschikbaar bleven toen het ondewijs ten gevolge van de crisis rond de loyaliteitsverklaring stil kwam te liggen. Zo bleken onder meer de UVSV-sters Hetty Voûte, Olga Hudig, To Hudig, Ankie Stork en Annie de Waard bereid van alles te wagen om de noodzakelijke contacten met de bewoners van adressen, waar kinderen ondergebracht waren of nog konden worden, te onderhouden.
Bert Jan Flim promoveerde in 1995 op Omdat hun hart sprak. Geschiedenis van de georganiseerde hulp aan Joodse kinderen in Nederland 1940-1945. Van zijn dissertatie verscheen in 1997 een tweede druk. In 2005 werd er een bekorte Engelstalige editie van gepubliceerd, Saving the children.


Achteraf vraagt W. Hijmans zich wel eens af, of allerlei verzetswerk de moeite waard geweest is, als naar het nuttig effect ervan gekeken wordt. Heel duidelijk acht hij die vraag gewettigd voor het ook door hem verrichte, gevaarlijke werk van het begeleiden van piloten van neergeschoten geallieerde vliegtuigen. Het is na de oorlog bekend geworden, dat opleidingscentra in Groot-Britannië en de Verenigde Staten massaal piloten opleidden. De neergeschoten oorlogsvliegers die er in slaagden hun thuisbasis weer te bereiken waren in feite (althans numeriek) overbodig. Hun ontsnapping woog naar Hijmans' oordeel – weliswaar op kennis achteraf berustend - niet op tegen de risico's die zij en hun helpers liepen.
Een onmiskenbaar waardevol voorbeeld van verzet is naar Hijmans’ mening daarentegen het werk dat het Utrechts Kindercomité verrichtte. Door het onderbrengen van Joodse kinderen bij pleeggezinnen hebben de leden van het Kindercomité vele levens gered. Misschien was de waarde hiervan in de oorlogsjaren zelf nog niet meteen zo duidelijk. Pas na de oorlog werd men zich immers de volle omvang bewust van het lot van de Nederlandse Joden. Pas toen bleek hoe in een relatief korte tijd op een klein gedeelte na de gehele Joodse bevolkingsgroep was geëlimineerd.
Hijmans heeft tijdens de beginperiode van zijn verzetswerk contact gehad met het Utrechts Kindercomité. Voor enkele aansluitende regelingen in verband met het werk hiervan bezocht Hijmans vergaderingen in een studentenhuis nabij het Utrechtse station, waarschijnlijk Mariahoek 7. Tijdens zo’n vergadering heeft hij onder meer met de UVSVster Hetty Voûte kennis kunnen maken, die in het Kindercomité een centrale positie innam.

Begin 1943 vroeg Bud Andrée Wiltens aan de Delftse student Mom (Edmund; E.P.) Wellenstein (neven van elkaar), of hij een centraal bureau voor een op poten te zetten landelijke organisatie in Den Haag zou willen inrichten. Het betrof de verzetsorganisatie, die korte tijd later Nationaal Comité van Verzet (NC) is gaan heten. Wiltens had namelijk contact met de door de bezetter afgezette PTT-directeur L. Neher en A. van Velsen, een man die net als Johan Brouwer lezingen voor studenten hield om de verzetsgeest te stimuleren. Neher, Van Velsen (naast in het begin de BPM-man A. Chaillet, die door arrestatie uitviel) en Wiltens meenden dat het wenselijk was de activiteiten van de belangrijkste instellingen die in het verzet actief waren te coördineren. In Den Haag is toen bij de Laakhaven in een oud pakhuis het kantoor van het toekomstige Nationaal Comité gevestigd, bemand door hem en een Delftse studiegenoot, Thijs Risselada.
Tot het Nationaal Comité trad weldra ook de Utrechtse juriste M.A. (Marie Anne) Tellegen toe, nuttig voor de uitbreiding van het netwerk vanwege haar intensieve maatschappelijke contacten als – intussen afgetreden – gemeentelijk hoofdambtenaar van Utrecht, en vooraanstaand oud-lid van de UVSV. Het Nationaal Comité beschikte al heel snel over het beoogde grote landelijke netwerk, waarin met name veel studenten communicatieve opdrachten vervulden en andere taken verrichtten. Wellenstein staan wat Utrecht betreft de namen van Janneke Schwartz, Siebe Lijftogt, Henk Leopold en Otto Backer Dirks nog bij.
Uit de omgeving van mevrouw Tellegen herinnert Wellenstein zich voorts de activiteiten van de voor verscheidene verzetsinstanties belangrijke 'Braskamp', achter welke naam [dr.] G.Th. Kempe, een medewerker van de hoogleraar strafrecht W.P.J. Pompe, schuil ging. Kempe had zich tijdens een eerdere fase onderscheiden in het hulpwerk voor Joodse kinderen van het Utrechts Kindercomité. De bijgaande brieven, waarin Pompe en hij eind november 1943 ontslag namen uit hun functies bij de Utrechtse universiteit, tonen hoe zwaar beiden de solidariteit met hun studenten, de ‘niet-tekenaars’ lieten wegen.


Bud Andrée Wiltens bleef, nadat de Raad van Negen door het niet langer functioneren van de universiteiten en hogescholen in feite overbodig werd, actief in het verzet. Hij was een centrale figuur binnen het Nationaal Comité. Samen met Wellenstein wordt hij in de aan het NC gewijde paragraaf in de verslagen van de Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 waarderend vermeld.
In het najaar van 1944 werd Wiltens te Utrecht bij een inval in een woning opgepakt en in de gevangenis aan het Wolvenplein opgesloten. Het zou vrijwel zeker fataal voor hem zijn afgelopen, ware het niet dat er vanuit het NC hulp was gekomen. Van Velsen en Wellenstein maakten handig gebruik van de diensten van een collaborateur, die zijn reputatie met het oog op de komende bevrijding wilde verbeteren en als medewerker van de Duitse politie de mogelijkheid had Wiltens te bevrijden door hem uit de gevangenis op te halen.

Pagina van een naar Londen verzonden rapport over ideeën rond het Hoger Onderwijs.
Maar niet alleen binnen Nederland was er communicatie nodig. Het was van immens belang dat de Nederlandse regering in Londen op de hoogte werd gebracht van wat er in Nederland leefde. En omgekeerd wilde men hier natuurlijk graag weten, wat de werkzaamheden en plannen van de regering inhielden. De contacten liepen ten dele via de zogenaamde Zwitserse weg. Rapporten werden op microfoto's vastgelegd. Koeriers en koeriersters brachten die foto's goed verstopt, zodat ze bij een controle niet ontdekt zouden worden, naar Zwitserland, naar W.A. Visser 't Hooft op het Bureau van de Wereldraad van Kerken in Genève, vanwaar ze dan dan uiteindelijk naar Londen werden gestuurd. En zo ging het eveneens, voor het nieuws bijvoorbeeld, in de omgekeerde richting. Eveline van Lennep is op het kantoor van Gerard Slotemaker de Bruïne voor de Zwitserse weg actief geweest.

De Leidse emeritus-hoogleraar W. Hijmans is als student actief geweest op de zogenaamde Dutch-Paris lijn. Op deze verbinding, waarlangs Joden, geallieerde piloten en anderen zoals de Engelandvaarders werden geholpen aan de Duitsers te ontsnappen en Spanje te bereiken, was Jean Weidner de belangrijkste organisator. De Dutch-Paris lijn had behalve voor personen ook betekenis voor de berichtgeving vanuit Nederland naar Londen en vice versa. De personenlijn en informatielijn waren identiek, zij het dat de smokkel van documenten voornamelijk via Zwitserland liep. W.A. Visser 't Hooft, secretaris van de Wereldraad van Kerken ‘in oprichting’, vormde in Genève de trait d'union. Buiten deze weg A naar Genève bestond er tevens gedurende korte tijd een weg B met de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiger in Bern als einddoel.
Behalve de contactpersonen van de Dutch-Paris lijn waren er ook anderen die vluchtelingen bijstonden op de route naar Spanje. Als voorbeeld noemde Hijmans de ontsnapping van de Utrechtse student geneeskunde Bram (Bob) van der Stok die blijkens zijn autobiografie Oorlogsvlieger van Oranje (1983) van de Dutch-Paris lijn profiteerde, maar meer hulp ontving. Voor de oorlog had Van der Stok een opleiding tot piloot bij de luchtmacht gevolgd. In de meidagen van 1940 wist hij zich voor het eerst als gevechtspiloot te onderscheiden. In 1941 slaagde hij er in om op hetzelfde schip als Erik Hazelhoff Roelfzema en Piet Tazelaar naar Engeland uit te wijken. Daar nam hij dienst bij de RAF. Neergeschoten boven Frankrijk kwam Van der Stok in het krijgsgevangenenkamp Stalag Luft III ten oosten van de Oder terecht. Via een gang die de gevangenen in dat kamp in maart 1944 gegraven hadden, slaagden 76 personen erin weg te komen. Van deze 76 personen werden er 73 weer gepakt. Van hen zijn 50 man op persoonlijk bevel van Hitler als represaille gefusilleerd. Bob van der Stok en twee Noren waren de enigen, die Engeland weer bereikten. Bij Van der Stok lukte dit na een vier maanden durende tocht door Duitsland, Nederland, België en Spanje. De ontsnapping van de geallieerde piloten uit Stalag Luft III behoort tot de meest imponerende heldenverhalen uit de Tweede Wereldoorlog en is in The great escape verfilmd.
Dankzij zijn daarop toch nog weer volgende periode als oorlogsvlieger werd Van der Stok de meest gedecoreerde Nederlandse militair van de tweede wereldoorlog. In 1946 ging hij aan de Utrechtse universiteit verder met zijn studie. Hij studeerde in 1951 af als arts.
Het bijgaande document uit juli 1944 toont aan, dat er in Bob van der Stoks Oorlogsvlieger van Oranje iets misgegaan is (een ghostwriter?) met de datum van aankomst in 1944 in Engeland.


Dankzij zijn verzetswerk op de Dutch-Paris lijn heeft Hijmans de Utrechter David Verloop goed gekend. Verloop was een zeer intelligente student. In 1938 aangekomen behaalde hij reeds in 1942 de graad van meester in de rechten. Verloop wilde doorstuderen, maar de oorlog wierp roet in het eten. Hij ging in het verzet en werd op een gegeven moment belast met de taak om van Brussel uit de Dutch-Paris lijn in België te leiden. Daar vormde hij door zijn organisatorische talenten en aimabele persoonlijkheid een uiterst waardevolle schakel op de gevaarvolle route naar Spanje en trouwens menigmaal ook Zwitserland.
Nadat Verloop gevangen was genomen, heeft hij zich op 7 maart 1944 van het leven beroofd om te voorkomen, dat hij bij het verhoren zou doorslaan en namen zou gaan noemen.
Hijmans hoefde veelal slechts een deel van de opdrachten die hij kreeg zelf op zich te nemen. Anderen gingen er mee verder. Brussel fungeerde voor hem als eindstation. Daar voerde hij besprekingen met Weidner en Verloop om te bepalen, welke passeurs en andere hulpkrachten voor de verdere uitvoering van opdrachten in de arm zouden worden genomen.

Voor het verzet waren tevoren bestaande netwerken bijzonder nuttig. Een voorbeeld van zo’n netwerk was het dispuut van Utrechtse studenten in de theologie, die lid van het Corps waren, Elias Annes Borger. De leden en oud-leden onderhielden intensieve contacten met elkaar. In Brussel werkte een oud-lid van Borger als predikant, A.G.B. ten Cate. Deze predikant was een van de kopstukken op de Dutch-Parislijn. Na de bevrijding van Brussel eind september 1944 schreef Ten Cate een acht pagina’s tellend rapport dat belangrijke informatie over de verzetsactiviteiten van hem en anderen levert. In dit rapport valt de naam van Hijmans. Maar ook twee student-leden van Borger worden genoemd, C.M. (Chris) ten Cate, een neef van de dominee, en D. (Daan) van der Most van Spijk. Uiteraard gingen de theologiestudenten in het corps met studenten van andere vakken om. Zo’n bestaand netwerk als Borger vormde slechts een piepklein segment van een omvangrijk, op verzet gericht netwerk daar omheen. Het hoeft vanuit de netwerkoptiek dan ook geen verbazing te wekken, dat de dood van de studenten Frits Iordens en David Verloop in het rapport van ds. Ten Cate aandacht krijgt. Deze twee studenten studeerden andere vakken. Daan van der Most van Spijk studeerde trouwens behalve theologie ook geneeskunde, de aanloop naar zijn latere positie als hoogleraar bij de medische faculteit in Utrecht. Na de oorlog zou Van Spijk de eerste rector van de senaat van het Utrechtsch Studentencorps worden.
Nog enige nadere informatie over en naar aanleiding van het rapport van ds. A.G.B. ten Cate. De als contact te Antwerpen genoemde predikant P. de Haan is lid geweest van nog een tweede Utrechts corpsgezelschap voor theologen, Secor Dabar. Het in het rapport geuite vermoeden dat de – Leidse – student Nauta gefusilleerd was, bleek naderhand onjuist te zijn. J. Nauta is later als hoogleraar geneeskunde aan de universiteit van Rotterdam verbonden geweest. Chris ten Cate werd na zijn gevangenneming in februari 1944 eerst vastgezet in de St. Gillesgevangenis te Brussel en enige tijd later overgebracht naar het Belgische concentratiekamp Beverloo (Leopoldsburg).

Hijmans ontmoette op de Dutch-Paris lijn verscheidene Utrechtse studenten, behalve David Verloop bijvoorbeeld ook Piet Henry die doorgaans als koerier en ‘passeur’ vanaf Roosendaal op het Belgische deel van de lijn actief was. Nadat Hijmans Joden, piloten en andere vluchtelingen op het eerste deel van het traject had vergezeld, droeg hij hen over aan Piet Henry voor de volgende étappe in België. Op een gegeven moment is Piet Henry opgenomen in een Leidse verzetsgroep en daardoor eveneens actief in Frankrijk geworden. Hij sprak goed Frans, zodat hij aan een primaire vereiste voor het welslagen van een reis door Wallonië en Frankrijk voldeed. Aan zijn Franse tijd – die hem een Légion d’Honneur opleverde – kwam een einde door toedoen van waarschijnlijk King Kong (Chris Lindemans). Hij werd gearresteerd en heeft vervolgens lange tijd in het concentratiekamp Sachsenhausen gevangen gezeten. Van dit kamp heeft Henry in april 1945 de ontruiming vanwege de naderende.Russen meegemaakt. Na enkele chaotische weken sloeg voor hem het uur van de bevrijding, toen de groep waarmee hij in de richting van de Oostzee liep op Amerikanen stuitte.
In deel II van ‘Ik kon niet alleen maar toekijken...’ staat ook een interview met Gerard Freeman, een centrale figuur onder de in het verzet actieve leden van Veritas.

Gegevens in code op fotopapier.
Coderings- en decoderingssleutel op een kladblaadje.
Tijdens een later stadium van de oorlog is Eveline van Lennep bij de spionagegroep van Kees Dutilh, de groep 'Kees', terechtgekomen. Zij had daarin - als trait d'union voor de communicatie - te maken met de laatste van de vijf achtereenvolgende leiders van de groep, met ir. F.K.T. Beukema toe Water. De groep 'Kees' maakte gebruik van zendinstallaties om berichten naar Engeland door te geven en van daaruit instructies te krijgen. Eveline van Lennep is zodoende radioberichten gaan coderen en decoderen. Een van degenen met wie zij samengewerkt heeft was Louis d'Aulnis de Bourrouill, een lid van het Leidsch Studentencorps.


Eveline van Lennep had, ook toen zij voor de groep 'Kees' werkte, soms nog contact met Gerard Slotemaker de Bruïne. Dit hield verband met het feit, dat deze als secretaris bij het College van Vertrouwensmannen werkzaam was, de instantie welke in Nederland na het wegvallen van het Duitse gezag tijdelijk het gezagsvacuüm zou moeten opvullen, totdat er weer een officiële Nederlandse regering zou functioneren. Slotemaker had soms assistentie hierbij nodig. Door haar werk voor de Zwitserse weg had Eveline van Lennep nu en dan met één van die Vertrouwensmannen, de begin jaren veertig afgezette commissaris van de koningin in Utrecht en president-curator van de Utrechtse universiteit, L.H.N. Bosch van Rosenthal te maken gehad.
Een van de meest bekende verzetsgroepen is de Amsterdamse groep CS-6 geweest. Als lid van CS-6 heeft Truus van Lier op 3 februari 1943 de Utrechtse hoofdcommissaris van politie (de functie heette toen politiepresident) G.J. Kerlen in het Willemsplantsoen doodgeschoten.
Het motief voor de liquidatie was, dat Kerlen bezig was een zwarte lijst op te stellen met de namen van Utrechters die in het oog gehouden zouden moeten worden. De wijze waarop Kerlen het Utrechtse politiecorps voor het Duitse karretje spande (Joden opsporen!) had hem trouwens al een zeer slechte reputatie bezorgd. Truus van Lier werd een paar weken later gearresteerd. Zij is in het concentratiekamp Sachsenhausen gefusilleerd.