Andere uitgaven van De Bezige Bij: Roland Holst en Vercors

Het spreekt haast vanzelf dat, toen verder studeren voor de studenten die niet getekend hadden op de gangbare manier onmogelijk was geworden, de reeds in het verzet actieve studenten daar vaak al hun tijd in gingen stoppen. Die neiging is bij niemand zo duidelijk waar te nemen als bij Geert Lubberhuizen. Reeds vrij vroeg in 1943 kreeg hij een compagnon, Charles van Blommestein. Samen wisten zij een uitgeverij op te bouwen, die - volstrekt begrijpelijk - in december 1944 een officiële status als zodanig verwierf.

De Bezige Bij heeft in totaal 76 uitgaven op haar naam staan. Geen enkele uitgeverij in Nederland bereikte een illegale productie van een dusdanige, toch werkelijk imponerende omvang. Ondanks de oorlogssituatie stond de kwaliteit op een hoog peil. Meteen al in het aanvangsstadium tijdens de eerste maanden van 1943 had Geert Lubberhuizen laten zien, dat hij contacten wist te leggen, persoonlijk of via anderen, met mensen die hij nodig had. Toen met de tekenaar Fedde Weidema, Henk Volkers van de clichéfabriek Photogravure en de boekdrukker Jan Hendriks. Zo ging het verder, ook wat de auteurs van eventueel voor een uitgave in aanmerking komende geschriften betreft. De Duitsers eisten, dat schrijvers lid werden van een Cultuurkamer, iets wat voor de meesten hunner volstrekt onaanvaardbaar was. Maar schrijvers willen natuurlijk toch graag, dat wat uit hun pen vloeit in druk bij een lezerspubliek terecht komt. Dankzij die behoefte om te publiceren wisten Geert Lubberhuizen en Charles van Blommestein ondanks hun nog maar student-zijn een levenskrachtige onderneming op te zetten. Zij haalden bijvoorbeeld Adriaan Roland Holst hun fonds binnen: A. Roland Holst, In memoriam Charles Edgar de Perron en Menno ter Braak, 1944. Ook gaven ze de beroemdste verzetspublicatie van de tweede wereldoorlog uit, de Franse novelle van Vercors (pseudoniem voor Jean Bruller) Le Silence de la Mer, waarvan zij een Nederlandse vertaling konden laten verschijnen, Vercors, De Stilte der Zee, 1944. Bij de productie van die vertaling deed zich het drama voor, dat er een overval tijdens het drukken plaats vond. De drie betrokken drukkers werden onmiddellijk gefusilleerd. Het boek is toen alsnog bij een andere drukkerij ter perse gelegd. Lubberhuizen en Blommestein hebben vanzelfsprekend de families van deze drukkers financieel gesteund, wat gemakkelijk kon dankzij het vele geld dat de verkoop van hun uitgaven opleverde.

Geert Lubberhuizen heeft zijn studie na de bevrijding niet afgemaakt, omdat het voor hem zin had uitgever te blijven.

De Bezige Bij: uitgave Het Vrij Nederlandsch Liedboek, 1944

In 1944 publiceerde De Bezige Bij Het Vrij Nederlandsch Liedboek. Het is een bundel verzetspoëzie, samengesteld, naar later bekend werd door Jan H. de Groot, Han G. Hoekstra en Halbo C. Kool. De bundel kreeg een oplage van 1900 exemplaren. Kenmerkend voor Lubberhuizen was de interesse die hij aan de dag legde voor papiersoorten, lettertypen en andere zaken die boeken een faaier uiterlijk verlenen. Van de 1900 exemplaren waren er 200 gedrukt op Hollandsch papier en genummerd van I tot CC met romeinse cijfers en 200 op opdikkend papier, genummerd van 1 tot 200 met arabische cijfers. De omslag en enkele pagina's geven enigszins een beeld van de uitgave. Het gedicht 'Rebel, mijn hart' is net als 'De Achttien Dooden' geschreven door Jan Campert.

Opmerkelijk is het motto 'Stantvastich is ghebleven mijn hert in thegenspoet'. Deze aan het Wilhelmus ontleende versregels, waren het motto geweest van het in 1941 gevierde lustrum van de studentenvereniging waarvan Geert Lubberhuizen lid was, het Utrechtsch Studentencorps.

De Bezige Bij: uitgave A. van der Merwe (= P.C.A. Geyl), Het Wachtwoord, 1944
De Bezige Bij publiceerde in de reeks Quousque tandem (Hoe lang nog?) een bundel met gedichten van Geyl, die tijdens zijn internering daar uit Buchenwald gesmokkeld waren. De bundel verscheen onder het pseudoniem A. van der Merwe als auteursnaam: A. van der Merwe (= Prof.Dr. P.C.A. Geyl), Het Wachtwoord. Sonnetten, Utrecht 1944. De bundel werd in Utrecht gedrukt bij J. van Boekhoven en daar ook van een band voorzien door F.H. Danner (Geert Lubberhuizen heeft een kamer bewoond boven diens boekbinderij).
De Bezige Bij: uitgave Moffenspiegel, 1944
Een bijzonder aansprekende uitgave bleek de in 1944 uitgebrachte Moffenspiegel. Een boekje over Adolf de Eerste (en de laatste) en zijn trawanten te zijn, een boekje met cartoons van de tekenaar Karel L. Links (in 1944 natuurlijk zonder diens naam gepubliceerd). Na de oorlog is het boek vanwege de grote vraag ernaar nog weer herdrukt.
De Bezige Bij: uitgave Wachter, wat is er van den nacht, 1945
Het gedicht Wachter, wat is er van den nacht is vlak voor de bevrijding, in april 1945, uitgegeven. Het gedicht is van de hand van Riek Vos-Beierman. De linoleumsnede met de Domtoren werd gemaakt door Tjomme de Vries.
De Bezige Bij: uitgave gedicht ter gelegenheid van UVSV-lustrum in 1944

Natuurlijk kwam er niet veel van een vieren van het UVSV-lustrum in 1944. Maar De Bezige Bij gaf wel een clandestien gedicht ter gelegenheid hiervan uit. Dat gedicht was geschreven door een van de UVSV-sters, die actief waren in het Utrechtsch Kindercomité, Annie de Waard. Een andere daarvoor actieve UVSV-ster, Titia Timmenga maakte de tekening.



De Bezige Bij en Het Utrechts Kindercomité

De Bezige Bij heeft het Kindercomité gedurig van de benodigde middelen kunnen voorzien. De uitgeverij beschikte over een groot reservoir aan personen, die bereid waren het gevaar van opgepakt te worden te trotseren, en de publicaties aan de man brachten. De inkomsten die De Bezige Bij ermee verwierf worden op 800.000 gulden geschat, toentertijd een zeer aanzienlijk bedrag. Het Utrechts Kindercomité bezat een uitstekend team van medewerkers en medewerksters, die natuurlijk beschikbaar bleven toen het ondewijs ten gevolge van de crisis rond de loyaliteitsverklaring stil kwam te liggen. Zo bleken onder meer de UVSV-sters Hetty Voûte, Olga Hudig, To Hudig, Ankie Stork en Annie de Waard bereid van alles te wagen om de noodzakelijke contacten met de bewoners van adressen, waar kinderen ondergebracht waren of nog konden worden, te onderhouden.

Bert Jan Flim promoveerde in 1995 op Omdat hun hart sprak. Geschiedenis van de georganiseerde hulp aan Joodse kinderen in Nederland 1940-1945. Van zijn dissertatie verscheen in 1997 een tweede druk. In 2005 werd er een bekorte Engelstalige editie van gepubliceerd, Saving the children.

Commentaar: Ankie Stork (To Hudig en zij woonden beiden in het studentenhuis Herenstraat 40Abis) werd zes weken later weer op vrije voeten gesteld, omdat de Duitsers geen overtuigend bewijs van illegale activiteiten harerzijds hadden.
De vervalsingscentrale van Lubberhuizen en Matthijsen

Persoonsbewijs van de studente Annie de Waard op naam van 'Antje Duursma'. Zogenaamd beroep: Kraamverzorgster.

Identiteitsverklaring Annie de Waard van Het Nederlandsche Roode Kruis. Zogenaamde taak: Administratief-helpster der Afd. Utrecht, Ned. Roode Kruis.

Geert Lubberhuizen en Rut Matthijsen hebben dankzij hun kennis en de tijdens practica scheikunde opgedane ervaring in het voorjaar van 1943 een vervalsingscentrale kunnen opzetten. Het verzet had vanzelfsprekend een enorme behoefte aan legitimatiebewijzen die de ware identiteit van iemand verborgen konden houden. De vervalsingscentrale van Lubberhuizen en Matthijsen was gevestigd in de woning van de chirurg in opleiding Maarten Vink in de Limburg Stirumstraat (nr. 19), waar de zolder er voor ingericht was.

Op vervalste legitmatiebewijzen moesten authentiek lijkende stempels komen te staan. Rut Matthijsen betrok die stempels van de clichéfabriek Photogravure aan de Oude Gracht. Ook voor de uitgaven van De Bezige Bij werden daar cliché's gemaakt. Matthijsen kwam zodoende vaak een paar maal per week langs om opdrachten te geven en bestellingen af te halen.

Heel merkwaardig is, dat er in het bedrijf van Volkers nooit een huiszoeking heeft plaats gevonden. De Duitsers kwamen kennelijk niet op het idee om daar eens een kijkje te nemen, en dat terwijl er zo weinig van dit soort fabriekjes waren.

Distributiekaart voor de baby 'Willem de Waard'
Zoals ook menige andere UVSVster deed, had Annie de Waard een Joods kind F.O. Spiegel als onwettig eigen kind bij de Burgerlijke Stand aangegeven.


Poort Mariahoek
Het Utrechts Kindercomité

Achteraf vraagt W. Hijmans zich wel eens af, of allerlei verzetswerk de moeite waard geweest is, als naar het nuttig effect ervan gekeken wordt. Heel duidelijk acht hij die vraag gewettigd voor het ook door hem verrichte, gevaarlijke werk van het begeleiden van piloten van neergeschoten geallieerde vliegtuigen. Het is na de oorlog bekend geworden, dat opleidingscentra in Groot-Britannië en de Verenigde Staten massaal piloten opleidden. De neergeschoten oorlogsvliegers die er in slaagden hun thuisbasis weer te bereiken waren in feite (althans numeriek) overbodig. Hun ontsnapping woog naar Hijmans' oordeel – weliswaar op kennis achteraf berustend - niet op tegen de risico's die zij en hun helpers liepen.

Een onmiskenbaar waardevol voorbeeld van verzet is naar Hijmans’ mening daarentegen het werk dat het Utrechts Kindercomité verrichtte. Door het onderbrengen van Joodse kinderen bij pleeggezinnen hebben de leden van het Kindercomité vele levens gered. Misschien was de waarde hiervan in de oorlogsjaren zelf nog niet meteen zo duidelijk. Pas na de oorlog werd men zich immers de volle omvang bewust van het lot van de Nederlandse Joden. Pas toen bleek hoe in een relatief korte tijd op een klein gedeelte na de gehele Joodse bevolkingsgroep was geëlimineerd.

Hijmans heeft tijdens de beginperiode van zijn verzetswerk contact gehad met het Utrechts Kindercomité. Voor enkele aansluitende regelingen in verband met het werk hiervan bezocht Hijmans vergaderingen in een studentenhuis nabij het Utrechtse station, waarschijnlijk Mariahoek 7. Tijdens zo’n vergadering heeft hij onder meer met de UVSVster Hetty Voûte kennis kunnen maken, die in het Kindercomité een centrale positie innam.

Nationaal Comité: Brieven hoogleraar Pompe en hoofdassistent Kempe, d.d. 24 november 1943

Begin 1943 vroeg Bud Andrée Wiltens aan de Delftse student Mom (Edmund; E.P.) Wellenstein (neven van elkaar), of hij een centraal bureau voor een op poten te zetten landelijke organisatie in Den Haag zou willen inrichten. Het betrof de verzetsorganisatie, die korte tijd later Nationaal Comité van Verzet (NC) is gaan heten. Wiltens had namelijk contact met de door de bezetter afgezette PTT-directeur L. Neher en A. van Velsen, een man die net als Johan Brouwer lezingen voor studenten hield om de verzetsgeest te stimuleren. Neher, Van Velsen (naast in het begin de BPM-man A. Chaillet, die door arrestatie uitviel) en Wiltens meenden dat het wenselijk was de activiteiten van de belangrijkste instellingen die in het verzet actief waren te coördineren. In Den Haag is toen bij de Laakhaven in een oud pakhuis het kantoor van het toekomstige Nationaal Comité gevestigd, bemand door hem en een Delftse studiegenoot, Thijs Risselada.

Tot het Nationaal Comité trad weldra ook de Utrechtse juriste M.A. (Marie Anne) Tellegen toe, nuttig voor de uitbreiding van het netwerk vanwege haar intensieve maatschappelijke contacten als – intussen afgetreden – gemeentelijk hoofdambtenaar van Utrecht, en vooraanstaand oud-lid van de UVSV. Het Nationaal Comité beschikte al heel snel over het beoogde grote landelijke netwerk, waarin met name veel studenten communicatieve opdrachten vervulden en andere taken verrichtten. Wellenstein staan wat Utrecht betreft de namen van Janneke Schwartz, Siebe Lijftogt, Henk Leopold en Otto Backer Dirks nog bij.

Uit de omgeving van mevrouw Tellegen herinnert Wellenstein zich voorts de activiteiten van de voor verscheidene verzetsinstanties belangrijke 'Braskamp', achter welke naam [dr.] G.Th. Kempe, een medewerker van de hoogleraar strafrecht W.P.J. Pompe, schuil ging. Kempe had zich tijdens een eerdere fase onderscheiden in het hulpwerk voor Joodse kinderen van het Utrechts Kindercomité. De bijgaande brieven, waarin Pompe en hij eind november 1943 ontslag namen uit hun functies bij de Utrechtse universiteit, tonen hoe zwaar beiden de solidariteit met hun studenten, de ‘niet-tekenaars’ lieten wegen.



Gevangenis Wolvenplein
Tekening uit 1943
Bevrijding Andrée Wiltens

Bud Andrée Wiltens bleef, nadat de Raad van Negen door het niet langer functioneren van de universiteiten en hogescholen in feite overbodig werd, actief in het verzet. Hij was een centrale figuur binnen het Nationaal Comité. Samen met Wellenstein wordt hij in de aan het NC gewijde paragraaf in de verslagen van de Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 waarderend vermeld.

In het najaar van 1944 werd Wiltens te Utrecht bij een inval in een woning opgepakt en in de gevangenis aan het Wolvenplein opgesloten. Het zou vrijwel zeker fataal voor hem zijn afgelopen, ware het niet dat er vanuit het NC hulp was gekomen. Van Velsen en Wellenstein maakten handig gebruik van de diensten van een collaborateur, die zijn reputatie met het oog op de komende bevrijding wilde verbeteren en als medewerker van de Duitse politie de mogelijkheid had Wiltens te bevrijden door hem uit de gevangenis op te halen.

Rapporten richting Londen

Pagina van een naar Londen verzonden rapport over ideeën rond het Hoger Onderwijs.

Maar niet alleen binnen Nederland was er communicatie nodig. Het was van immens belang dat de Nederlandse regering in Londen op de hoogte werd gebracht van wat er in Nederland leefde. En omgekeerd wilde men hier natuurlijk graag weten, wat de werkzaamheden en plannen van de regering inhielden. De contacten liepen ten dele via de zogenaamde Zwitserse weg. Rapporten werden op microfoto's vastgelegd. Koeriers en koeriersters brachten die foto's goed verstopt, zodat ze bij een controle niet ontdekt zouden worden, naar Zwitserland, naar W.A. Visser 't Hooft op het Bureau van de Wereldraad van Kerken in Genève, vanwaar ze dan dan uiteindelijk naar Londen werden gestuurd. En zo ging het eveneens, voor het nieuws bijvoorbeeld, in de omgekeerde richting. Eveline van Lennep is op het kantoor van Gerard Slotemaker de Bruïne voor de Zwitserse weg actief geweest.


Jean Weidner, de Dutch-Paris lijn en de ‘great escape’ van Bob van der Stok

De Leidse emeritus-hoogleraar W. Hijmans is als student actief geweest op de zogenaamde Dutch-Paris lijn. Op deze verbinding, waarlangs Joden, geallieerde piloten en anderen zoals de Engelandvaarders werden geholpen aan de Duitsers te ontsnappen en Spanje te bereiken, was Jean Weidner de belangrijkste organisator. De Dutch-Paris lijn had behalve voor personen ook betekenis voor de berichtgeving vanuit Nederland naar Londen en vice versa. De personenlijn en informatielijn waren identiek, zij het dat de smokkel van documenten voornamelijk via Zwitserland liep. W.A. Visser 't Hooft, secretaris van de Wereldraad van Kerken ‘in oprichting’, vormde in Genève de trait d'union. Buiten deze weg A naar Genève bestond er tevens gedurende korte tijd een weg B met de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiger in Bern als einddoel.

Behalve de contactpersonen van de Dutch-Paris lijn waren er ook anderen die vluchtelingen bijstonden op de route naar Spanje. Als voorbeeld noemde Hijmans de ontsnapping van de Utrechtse student geneeskunde Bram (Bob) van der Stok die blijkens zijn autobiografie Oorlogsvlieger van Oranje (1983) van de Dutch-Paris lijn profiteerde, maar meer hulp ontving. Voor de oorlog had Van der Stok een opleiding tot piloot bij de luchtmacht gevolgd. In de meidagen van 1940 wist hij zich voor het eerst als gevechtspiloot te onderscheiden. In 1941 slaagde hij er in om op hetzelfde schip als Erik Hazelhoff Roelfzema en Piet Tazelaar naar Engeland uit te wijken. Daar nam hij dienst bij de RAF. Neergeschoten boven Frankrijk kwam Van der Stok in het krijgsgevangenenkamp Stalag Luft III ten oosten van de Oder terecht. Via een gang die de gevangenen in dat kamp in maart 1944 gegraven hadden, slaagden 76 personen erin weg te komen. Van deze 76 personen werden er 73 weer gepakt. Van hen zijn 50 man op persoonlijk bevel van Hitler als represaille gefusilleerd. Bob van der Stok en twee Noren waren de enigen, die Engeland weer bereikten. Bij Van der Stok lukte dit na een vier maanden durende tocht door Duitsland, Nederland, België en Spanje. De ontsnapping van de geallieerde piloten uit Stalag Luft III behoort tot de meest imponerende heldenverhalen uit de Tweede Wereldoorlog en is in The great escape verfilmd.

Dankzij zijn daarop toch nog weer volgende periode als oorlogsvlieger werd Van der Stok de meest gedecoreerde Nederlandse militair van de tweede wereldoorlog. In 1946 ging hij aan de Utrechtse universiteit verder met zijn studie. Hij studeerde in 1951 af als arts.

Het bijgaande document uit juli 1944 toont aan, dat er in Bob van der Stoks Oorlogsvlieger van Oranje iets misgegaan is (een ghostwriter?) met de datum van aankomst in 1944 in Engeland.



David Verloop
David Verloop, verbindingsschakel op de Dutch-Paris lijn

Dankzij zijn verzetswerk op de Dutch-Paris lijn heeft Hijmans de Utrechter David Verloop goed gekend. Verloop was een zeer intelligente student. In 1938 aangekomen behaalde hij reeds in 1942 de graad van meester in de rechten. Verloop wilde doorstuderen, maar de oorlog wierp roet in het eten. Hij ging in het verzet en werd op een gegeven moment belast met de taak om van Brussel uit de Dutch-Paris lijn in België te leiden. Daar vormde hij door zijn organisatorische talenten en aimabele persoonlijkheid een uiterst waardevolle schakel op de gevaarvolle route naar Spanje en trouwens menigmaal ook Zwitserland.

Nadat Verloop gevangen was genomen, heeft hij zich op 7 maart 1944 van het leven beroofd om te voorkomen, dat hij bij het verhoren zou doorslaan en namen zou gaan noemen.

Hijmans hoefde veelal slechts een deel van de opdrachten die hij kreeg zelf op zich te nemen. Anderen gingen er mee verder. Brussel fungeerde voor hem als eindstation. Daar voerde hij besprekingen met Weidner en Verloop om te bepalen, welke passeurs en andere hulpkrachten voor de verdere uitvoering van opdrachten in de arm zouden worden genomen.

Het netwerk rond David Verloop: Rapport A.G.B. ten Cate, d.d. 27 september 1944

Voor het verzet waren tevoren bestaande netwerken bijzonder nuttig. Een voorbeeld van zo’n netwerk was het dispuut van Utrechtse studenten in de theologie, die lid van het Corps waren, Elias Annes Borger. De leden en oud-leden onderhielden intensieve contacten met elkaar. In Brussel werkte een oud-lid van Borger als predikant, A.G.B. ten Cate. Deze predikant was een van de kopstukken op de Dutch-Parislijn. Na de bevrijding van Brussel eind september 1944 schreef Ten Cate een acht pagina’s tellend rapport dat belangrijke informatie over de verzetsactiviteiten van hem en anderen levert. In dit rapport valt de naam van Hijmans. Maar ook twee student-leden van Borger worden genoemd, C.M. (Chris) ten Cate, een neef van de dominee, en D. (Daan) van der Most van Spijk. Uiteraard gingen de theologiestudenten in het corps met studenten van andere vakken om. Zo’n bestaand netwerk als Borger vormde slechts een piepklein segment van een omvangrijk, op verzet gericht netwerk daar omheen. Het hoeft vanuit de netwerkoptiek dan ook geen verbazing te wekken, dat de dood van de studenten Frits Iordens en David Verloop in het rapport van ds. Ten Cate aandacht krijgt. Deze twee studenten studeerden andere vakken. Daan van der Most van Spijk studeerde trouwens behalve theologie ook geneeskunde, de aanloop naar zijn latere positie als hoogleraar bij de medische faculteit in Utrecht. Na de oorlog zou Van Spijk de eerste rector van de senaat van het Utrechtsch Studentencorps worden.

Nog enige nadere informatie over en naar aanleiding van het rapport van ds. A.G.B. ten Cate. De als contact te Antwerpen genoemde predikant P. de Haan is lid geweest van nog een tweede Utrechts corpsgezelschap voor theologen, Secor Dabar. Het in het rapport geuite vermoeden dat de – Leidse – student Nauta gefusilleerd was, bleek naderhand onjuist te zijn. J. Nauta is later als hoogleraar geneeskunde aan de universiteit van Rotterdam verbonden geweest. Chris ten Cate werd na zijn gevangenneming in februari 1944 eerst vastgezet in de St. Gillesgevangenis te Brussel en enige tijd later overgebracht naar het Belgische concentratiekamp Beverloo (Leopoldsburg).

Piet Henry

Hijmans ontmoette op de Dutch-Paris lijn verscheidene Utrechtse studenten, behalve David Verloop bijvoorbeeld ook Piet Henry die doorgaans als koerier en ‘passeur’ vanaf Roosendaal op het Belgische deel van de lijn actief was. Nadat Hijmans Joden, piloten en andere vluchtelingen op het eerste deel van het traject had vergezeld, droeg hij hen over aan Piet Henry voor de volgende étappe in België. Op een gegeven moment is Piet Henry opgenomen in een Leidse verzetsgroep en daardoor eveneens actief in Frankrijk geworden. Hij sprak goed Frans, zodat hij aan een primaire vereiste voor het welslagen van een reis door Wallonië en Frankrijk voldeed. Aan zijn Franse tijd – die hem een Légion d’Honneur opleverde – kwam een einde door toedoen van waarschijnlijk King Kong (Chris Lindemans). Hij werd gearresteerd en heeft vervolgens lange tijd in het concentratiekamp Sachsenhausen gevangen gezeten. Van dit kamp heeft Henry in april 1945 de ontruiming vanwege de naderende.Russen meegemaakt. Na enkele chaotische weken sloeg voor hem het uur van de bevrijding, toen de groep waarmee hij in de richting van de Oostzee liep op Amerikanen stuitte.

In deel II van ‘Ik kon niet alleen maar toekijken...’ staat ook een interview met Gerard Freeman, een centrale figuur onder de in het verzet actieve leden van Veritas.

Spionage: de groep 'Kees' - coderen en decoderen

Gegevens in code op fotopapier.

Coderings- en decoderingssleutel op een kladblaadje.

Tijdens een later stadium van de oorlog is Eveline van Lennep bij de spionagegroep van Kees Dutilh, de groep 'Kees', terechtgekomen. Zij had daarin - als trait d'union voor de communicatie - te maken met de laatste van de vijf achtereenvolgende leiders van de groep, met ir. F.K.T. Beukema toe Water. De groep 'Kees' maakte gebruik van zendinstallaties om berichten naar Engeland door te geven en van daaruit instructies te krijgen. Eveline van Lennep is zodoende radioberichten gaan coderen en decoderen. Een van degenen met wie zij samengewerkt heeft was Louis d'Aulnis de Bourrouill, een lid van het Leidsch Studentencorps.



Spionage: de groep 'Kees' - lokaliseren legereenheden

Legereenheden (pag.1 en 2) en de Duitse militaire rangenhiërarchie (pag.3).

De groep 'Kees' had bijvoorbeeld als opdracht het lokaliseren van Duitse legereenheden aan de hand van hun distinctieven.

De 'Vertrouwensmannen'

Eveline van Lennep had, ook toen zij voor de groep 'Kees' werkte, soms nog contact met Gerard Slotemaker de Bruïne. Dit hield verband met het feit, dat deze als secretaris bij het College van Vertrouwensmannen werkzaam was, de instantie welke in Nederland na het wegvallen van het Duitse gezag tijdelijk het gezagsvacuüm zou moeten opvullen, totdat er weer een officiële Nederlandse regering zou functioneren. Slotemaker had soms assistentie hierbij nodig. Door haar werk voor de Zwitserse weg had Eveline van Lennep nu en dan met één van die Vertrouwensmannen, de begin jaren veertig afgezette commissaris van de koningin in Utrecht en president-curator van de Utrechtse universiteit, L.H.N. Bosch van Rosenthal te maken gehad.

Een Commissaris in het verzet

Het boek van G. van Roon over Bosch van Rosenthal werd in 1999 gepubliceerd.

Spionage: de groep 'Albrecht'

Pagina uit George Puchinger, Jonge Jaren 1921-1945.

George Puchinger, die ook zelf in het verzet actief is geweest, vermeldt in zijn tot 1945 lopende autobiografie Jonge Jaren vrij terloops de opheffing van zijn Utrechtse studentenvereniging SSR in juli 1941. De aankondiging hiervan was geschreven door, vertelt hij, de later belangrijke verzetsman Kees Brouwer, op dat moment abactis in het SSR-bestuur. Aangaande de abactis van het Utrechtsch Studentencorps, Frans Dijckmeester, die toen de rondzendbrief over de opheffing van het Corps uit deed gaan, is al gezegd dat deze na zijn afstuderen Engelandvaarder werd. Later is Dijckmeester trouwens voorzitter en erevoorzitter van de Genootschap Engelandvaarders geweest. Brouwer ging na zijn afstuderen verzetswerk doen in de groep 'Albrecht'. De groep 'Albrecht' was opgericht door de gereformeerde H.G. de Jonge. Deze recruteerde de werkers hiervoor bij voorkeur uit orthodox protestantse milieus. Zodoende zijn er vrij veel studenten, die lid van SSR waren, in terecht gekomen. 'Albrecht' ontwikkelde zich tot een buitengewoon belangrijke spionagegroep. Overal in Nederland opereerden er cellen van. Brouwer werd in 1944 de landelijke leider van deze groep. Hij is na de oorlog voor zijn verzetsactiviteiten onderscheiden met de Militaire Willemsorde.

Sabotage: de groep 'CS-6'

Een van de meest bekende verzetsgroepen is de Amsterdamse groep CS-6 geweest. Als lid van CS-6 heeft Truus van Lier op 3 februari 1943 de Utrechtse hoofdcommissaris van politie (de functie heette toen politiepresident) G.J. Kerlen in het Willemsplantsoen doodgeschoten.

Het motief voor de liquidatie was, dat Kerlen bezig was een zwarte lijst op te stellen met de namen van Utrechters die in het oog gehouden zouden moeten worden. De wijze waarop Kerlen het Utrechtse politiecorps voor het Duitse karretje spande (Joden opsporen!) had hem trouwens al een zeer slechte reputatie bezorgd. Truus van Lier werd een paar weken later gearresteerd. Zij is in het concentratiekamp Sachsenhausen gefusilleerd.

Pilotenhulp
Brief d.d. 1 juli 1946, waarin To Hudig bedankt wordt voor haar hulp aan Engelse piloten. Het aardige van de brief is, dat degene die hem schreef dacht dat de te bedanken persoon wel een man zou zijn. Maar zo was het dus niet altijd!