Titelpagina nummer Lichting

Het in december 1942 verschenen tweede nummer van Lichting.

Op 5 februari 1943 werd de generaal van het Vrijwilligerslegioen Nederland, H.A. Seyffardt, geliquideerd. De Duitsers namen aan, dat een student de dader was wat ten opzichte van een van de twee betrokkenen, Leo Frijda, die als jood niet mocht gaan studeren, tot op zekere hoogte klopte. Voor de andere dader, Jan Verleun niet, hoewel het ook voor deze qua leeftijd kon opgaan. Frijda was actief in het door twee Utrechtse corpsleden, Gerrit Jan de Jongh en Theo Hondius, eind 1942 opgezette literaire blad Lichting. Bedienden van de door de bezetter gevorderde sociëteit PHRM hebben dit tijdschrift als werknemers van het bedrijfje Peha gestencild. Aan dit tot april 1943 verschenen blad heeft ook het SSR-lid George Puchinger meegewerkt. Dat Frijda betrokken was bij de aanslag op generaal Seyffardt had te maken met het feit, dat redactieleden van Lichting banden hebben onderhouden met de knokploeg CS-6 (de naam komt van Corellistraat 6 Amsterdam). Verleun en Frijda waren daar lid van, de UVSVster Truus van Lier die in september 1943 de Utrechtse hoofdcommissaris van politie doodschoot, trouwens ook.



Razzia 6 februari 1943

Foto van het Organisch-Chemisch en Pharmaceutisch Laboratorium Catharijnesingel 59/60 in 1943.

Omdat studenten de aanslag gepleegd heetten te hebben, vonden een dag later, op 6 februari 1943, als represaille in de steden met instellingen voor hoger onderwijs, dus onder meer in Utrecht, grote razzia's plaats. In de collegezalen van het Universiteitsgebouw en de practicumlokalen van de laboratoria aan de Catharijnsesingel werden 119 studenten opgepakt. In heel Nederland bedroeg het aantal gevangen genomen studenten 600. Een razzia op 9 februari om 'plutocratenzoontjes', rijke jongemannen die zogenaamd niets uitvoerden, op te pakken, leidde tot nog eens 1200 arrestaties. Daar waren opnieuw studenten bij.

Bericht over de gevangenen in Vught

Op 9 februari kon er informatie over de gevangen genomen studenten naar de ouders of andere ten opzichte van hen verantwoordelijke personen gestuurd worden. Het bericht met wat nadere bijzonderheden werd getekend door de praeses van de Utrechtsche Studentenfaculteiten, Cuuks van Valkenburg en de hoogleraar L.M.R. Rutten.

Op 11 februari 1943 kon de hoogleraar natuurkunde J.M.W. Milatz een veel uitvoeriger brief schrijven, dankzij de inlichtingen van enkele studenten die Vught intussen hadden mogen verlaten. Ongetwijfeld zullen de ouders opgelucht zijn opmerking gelezen hebben, dat het niet in de bedoeling van de Duitsers lag de geïnterneerde studenten naar Duitsland te transporteren om daar te werken. In december was dat de dreiging geweest die allerwegen onrust gezaaid had. Die onrust was pas verdwenen, toen bekend gemaakt werd dat het plan om enkele duizenden studenten voor de Arbeitseinsatz in Duitsland te werk te stellen niet door zou gaan. De razzia's wekten uiteraard het vermoeden, dat de Duitsers een nieuwe poging in die richting wilden ondernemen. De mededeling, dat daar geen sprake van was, moet dus zeer welkom geweest zijn. Hoewel ... Was het waar? Volgens informatie, waarover de rector magnificus beschikte, zouden de meeste studenten spoedig vrijgelaten worden. Slechts als er verdenkingen tegen iemand bestonden, gold dit niet. Milatz schreef uitvoerig over de dagindeling in Vught. Hij somde op hoe het met de maaltijden gesteld was. Hij wist te vertellen over de wijze, waarop de corveeën functioneerden. Zelfs een tekeningetje, dat een idee gaf van het onderkomen van de studenten, ontbrak niet. Milatz verwachtte, dat het op korte termijn mogelijk zou zijn pakketten met het een en ander naar Vught te sturen.

De Duitse verordening met betrekking tot de loyaliteitsverklaring

De razzia's en het interneren van studenten in Vught bleken het begin te zijn van een streven van de Duitsers om de universitaire wereld in hun greep te krijgen. De bezetters hadden namelijk een alle studenten treffende maatregel in voorbereiding: de eis een loyaliteitsverklaring te tekenen. Op 13 maart 1943 kwam de verordening daarover af.

Afwijzing van de loyaliteitsverklaring door de Raad van Negen
Reeds op 6 maart 1943 bleek de landelijke Raad van Negen op de hoogte te zijn van de invoering van een loyaliteitsverklaring. De Raad stelde in een rondschrijven de studenten-achterban op de hoogte en gaf nadrukkelijk te kennen, dat men de verklaring niet moest tekenen. Ook het alternatief voor niet-tekenaars, in Duitsland werken, werd afgewezen. Bij dit laatste speelde vanzelfsprekend de opvatting mee, dat arbeid in opdracht van de vijand het Duitse oorlogspotentieel zou versterken.
Tekst loyaliteitsverklaring
"Ondergeteekende ....... geboren ....... te ....... wonende ....... verklaart hiermede plechtig, dat hij in het bezette Nederlandsche gebied geldende wetten, verordeningen en andere beschikkingen naar eer en geweten zal nakomen en zich zal onthouden van iedere tegen het Duitsche Rijk, de Duitsche weermacht, of de Nederlandsche autoriteiten gerichte handeling, zoomede van handelingen of gedragingen welke de openbare orde aan de inrichtingen van hooger onderwijs, gezien de vigeerende omstandigheden, in gevaar brengen."
Vergadering Senatus Contractus 13 maart 1943

Mededeling rector over het herstel van de in december in brand gestoken studentencartotheek.

Op 13 maart 1943, de dag dat de Duitse verordening over de loyaliteitsverklaring werd gepubliceerd, kwam de Senatus Contractus bijeen. De universitaire autoriteiten raakten door de eis van de bezetter dat de studenten deze tekenden in een crisissituatie. In de studentenwereld was men woedend over de plotselinge razzia's van 6 februari. Wel waren er al vele studenten vrijgelaten, maar niet alle. Van de kant van de belangrijkste eigen instantie, de Raad van Negen, had men een duidelijk advies gekregen: niet tekenen. Bij de eigen Utrechtse hoogleraren verwachtten de meeste studenten een soortgelijk standpunt. Zo langzamerhand zou beslist een aanzienlijk aantal professoren bereid zijn aan hun kant te gaan staan. Maar dit ging niet op voor alle professoren en zeker niet voor de rector magnificus Van Vuuren. Vanaf zijn aantreden als rector in september 1941 was Van Vuuren de mening toegedaan dat het zijn plicht was te zorgen dat de Utrechtse universiteit openbleef. Nederland had de oorlog verloren en daarmee ook tal van rechten. De Duitsers mochten zijns inziens dan ook van de studenten loyaliteit eisen. Geheel in die lijn lag zijn inspanning om de studentenadministratie weer op orde te krijgen.

Opmerkelijk is overigens de informatie, die Van Vuuren op 13 maart tijdens de vergadering van de Senatus Contractus over het herstel van de in brand gestoken studentenadministratie geeft. Van Vuuren beweerde steeds, dat het geen studenten geweest konden zijn die in december 1943 de cartotheek in het Academiegebouw in brand hadden gestoken. Want die wisten, stelde hij steeds, dat zich in het Centraal Bureau voor de Statistiek in Den Haag duplicaten bevonden. Uit het hier weergegeven citaat blijkt, dat men Van Vuuren in Den Haag voorlopig niet aan de begeerde gegevens zou kunnen helpen. De door het Bureau opgegeven reden kan tussen haakjes waarheidsgetrouw zijn, maar dat hoeft niet. Het is namelijk bekend, dat personeel daar saboteerde.

Van Vuuren zei verder op deze vergadering, dat hij de vorige dag geprobeerd had de Duitse verordening over de loyaliteitsverklaring in handen te krijgen, maar die was nog bij de drukker. Dat hij voor het tekenen ervan was, stak Van Vuuren niet onder stoelen of banken. Hij vreesde strenge Duitse maatregelen, als de studenten niet tekenden. De Rijkscommissaris en de meerderheid van de Duitse autoriteiten, zei hij, wilden het onderwijs intact houden, omdat er na afloop van de oorlog een grote behoefte aan intellectuelen zou zijn.

De groep Pahud

In de universitaire wereld heerste een enorme verontwaardiging over de razzia’s op zaterdag 6 februari 1943, die tot de wegvoering van enkele honderden studenten naar Vught leidde. Niet alleen de studenten waren daar trouwens uitermate boos over, ook door de academische senaten werd woedend gereageerd. De Duitse maatregel was dan ook in flagrante strijd met de in december gedane belofte, dat de studenten met rust gelaten zouden worden. De SS-generaal Rauter ontleende echter een extra reden tot hard optreden aan de gevangenneming van een sabotagegroep van Delftse studenten, de groep Pahud, genoemd naar de leider ervan Willem Pahud de Mortanges. Blijkens een notitie van de Utrechtse rector magnificus Van Vuuren was men zich buiten Delft van de ten gevolge hiervan ontstane nieuwe complicatie bewust. Toen allengs meer en meer studenten in Vught vrijgelaten werden, waren het daar vooral de Delftenaren die langer moesten blijven. Willem Pahud de Mortanges zelf is met vijf andere leden van de groep op 18 mei 1943 op Fort Rhijnauwen gefusilleerd.

Brief bestuursleden Studentenfaculteiten, d.d. 22 maart 1943

Op 22 maart 1943 legden de 59 bestuursleden van de Studentenfaculteiten uit protest tegen de loyaliteitsverklaring hun functies neer. Zij wensten, naar zij schreven, geen verantwoordelijkheid te dragen 'ten behoeve van degenen, die aan de in de verordening genoemde voorwaarden zullen hebben voldaan en tot de studie worden toegelaten'. Zij distantieerden zich dus uitdrukkelijk van medestudenten, die aan de eis om voor 13 april te tekenen zouden voldoen. Hun brief protesteerde met de boven aangehaalde woorden tevens tegen de in de Duitse verordening van 13 maart aangekondigde numerus clausus. Die numerus clausus hield in, dat niet iedereen meer ingeschreven kon worden als student. Het lag voor de hand, dat niet-tekenaars dit lot wachtte. Expliciet protesteerden de aftredende bestuursleden verder tegen nog weer een andere in de verordening genoemde maatregel, dat net afgestudeerde mannelijke studenten namelijk voor de Arbeitseinsatz in Duitsland zouden moeten gaan werken.

Op dezelfde dag vond ook een vergadering van de Academische Senaat plaats. De secretaris-generaal van het departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming, J. van Dam was hier ook naar toe gekomen en kreeg van Van Vuuren, voordat de vergadering begon, de gelegenheid om de aanwezige professoren toe te spreken. Van Vuuren maakte na de opening melding van de bezwaren van de Studentenfaculteiten tegen het tekenen van de loyaliteitsverklaring met het commentaar, dat hij niet wist hoe ver hun invloed reikte. In de loop van de vergadering werd het steeds duidelijker, hoe verdeeld de meningen waren. F.A. Vening Meinesz, buitengewoon hoogleraar geofysica, diende een resolutie in, waarin intrekking of verregaande aanpassing van de loyaliteitsverklaring geëist werd. De reactie was, dat zijn wensen het einde van het Hoger Onderwijs zouden betekenen. Toch begon zich een meerderheid te vormen die het beleid van Van Vuuren afkeurde. De bereidheid tot compromissen verzwakte de positie van degenen die zich wilden scharen aan de kant van de studenten die tegen de loyaliteitsverklaring waren.

Mededeling naar buiten over de beslissing om af te treden

De Utrechtsche Studentenfaculteiten deden op 22 maart tegelijkertijd een mededeling uitgaan, waarin publiek gemaakt werd dat alle bestuursleden hun functies ter beschikking hadden gesteld. De mededeling vermeldde ook de motieven.

Van Vuuren heeft geprobeerd de bestuursleden van de Studentenfaculteiten tot andere gedachten te brengen. Slechts zeven van hen bezweken onder de uitgeoefende druk om op het besluit om af te treden terug te komen. De overigen kregen een schorsing van zes maanden opgelegd.



Rector magnificus L. van Vuuren
Schorsing bestuursleden Studentenfaculteiten, d.d. 27 maart 1943
Officiële kennisgeving van de schorsing van 52 bestuursleden van de Studentenfaculteiten door rector magnificus L. van Vuuren vanwege hun weigering hun functies te blijven vervullen. Onder de namen van de afgetredenen vallen onder meer die van R.A. (Cuuks) van Valkenburg (de in het verzet zeer actief geworden fiscus van de laatste fungerende senaat van het opgeheven Corps) en last but not least W. (Wim) Eggink op.
Poging rector om de schorsing te rechtvaardigen

In een circulaire, d.d. 30 maart 1943, probeerde rector Van Vuuren de schorsing te rechtvaardigen.

'Het is mij een behoefte aan allen die getroffen zijn door het vonnis van 27 Maart jl. te berichten met hoeveel leedwezen dezen tuchtmaatregel door mij werd toegepast. Ik hoop van harte dat het hierdoor is mogen te gelukken U voor erger te behoeden.

L. van Vuuren'

Let op het op een van de circulaires bijgeschreven 'Ha, ha, huichelaar!'.

Oproep rector Van Vuuren d.d. 6 april 1943 om te tekenen
Op 6 april 1943 probeerde Van Vuuren het tij te keren met een oproep aan de studenten om uiterlijk 10 april te tekenen. Hij deed die oproep vergezeld gaan van de waarschuwing, dat weigeren kon leiden tot de mogelijkheid van tewerkstelling voor de Arbeitseinsatz.
Brief 'Jan Lul', die de loyaliteitsverklaring niet tekende

Tal van studenten lichtten hun beslissing om niet te tekenen in brieven aan rector magnificus L.van Vuuren toe. Normaliter waren de brieven serieus en stond er een handtekening onder. Maar er waren ook studenten als deze 'Jan Lul', die hun bezwaren op andere manieren tot uitdrukking brachten.

Op een afstand doet het merkwaardig aan, dat de studenten van 1943 zo zwaar aan die loyaliteitsverklaring tilden. Tegenover de Duitse bezetter, die voortdurend eigen beloften brak, zou men zich toch niet gebonden hoeven te voelen aan een handtekening onder de loyaliteitsverklaring? In een op 25 november 1985 bij een herdenking van het Utrechtse universitaire verzet gehouden rede ging Siebe Lijftocht, een oud-lid van Unitas die een belangrijk verzetsfiguur is geweest, op deze vraag in. Hij noemde twee redenen voor het principiële gedrag rond de loyaliteitsverklaring. De eerste was, dat men niet op dezelfde manier met de eigen handtekening moest omgaan als de bezetter het met verklaringen en beloften deed. Daarnaast voerde hij het argument aan, dat men alle verzet tegen een voortgaande nazificering van de universitaire wereld blokkeerde, als een meerderheid van de studenten tekende. In een stuk met herinneringen aan het studentenverzet vermeldde Lijftocht ook nog twee andere motieven. Namelijk, dat tekenen een triomf voor de NSB zou zijn èn het besef dat er buiten de universitaire wereld geen 'neen' verwacht kon worden, als studenten met hun weinige verplichtingen al een knieval maakten.

In Utrecht heeft 12,6 procent van de studenten de loyaliteitsverklaring getekend. Met name in Delft lag het percentage veel hoger, bij de confessionele instellingen (Vrije Universiteit Amsterdam, Nijmegen) aanzienlijk lager.

Rede minister Bolkestein, d.d. 7 april 1943

Op 7 april 1943 sprak minister G. Bolkestein, die bij de Nederlandse regering te Londen de portefeuille van Onderwijs beheerde, zich over Radio Oranje in zeer scherpe bewoordingen over de loyaliteitsverklaring uit. De studenten in het bezette Nederland kregen opdracht zich aan het tekenen hiervan te onttrekken, de hoogleraren om op geen enkele manier studenten die tekenden tegemoet te komen in hun verwachting, dat zij in staat zouden zijn rustig met de studie voort te gaan. De tekenaars mochten geen voordeel van het tekenen hebben en door het bezoeken van practica en afleggen van tentamens een voorsprong op niet-tekenaars krijgen.

Blijkens de instructies bovenaan pagina 1 was deze getypte tekst voor het landelijke studentenblad De Geus bestemd. De rede is daar echter niet in afgedrukt. De studenten raakten op de hoogte van de inhoud van de rede, omdat zij die door clandestien luisteren naar de radio zelf hadden gehoord of op een andere manier geïnformeerd waren vanuit hun omgeving.

Compromis-besluit Academische Senaat 13 april 1943
De hier weergegeven, op 13 april vastgestelde resolutie van de Academische Senaat is onmiskenbaar een compromis. In het eerste artikel wordt uitdrukking gegeven aan het besef, dat de Utrechtse universiteit in een toestand is komen te verkeren, die voortgaan met het onderwijs onmogelijk maakt. In het tweede artikel wordt aangedrongen op een verlenging van de termijn voor het tekenen van de loyaliteitsverklaring op de manier het universitaire onderwijs in stand te houden. In de begeleidende tekst wordt uitdrukkelijk op het verschil tussen de beide artikelen gewezen. De resolutie kwam tot stand aan het slot van een op 13 april bijzonder moeizaam verlopen Senaatsvergadering. Het eerste artikel gaat terug op een motie van de hoogleraar strafrecht W.P.J. Pompe en was door een groot aantal leden van de Senaat ondertekend. Een deel van de vergadering vond echter, dat de motie Pompe elke onderhandelingsruimte weghaalde. Uiteindelijk leidden die gevoelens tot de formulering van het tweede artikel en werden beide artikelen gecombineerd in één resolutie.
Vergadering Senatus Contractus, d.d. 20 april 1943

Op 6 maart 1943 had de Raad van Negen dus reeds een pamflet laten uitgaan, waarin het tekenen van de loyaliteitsverklaring ten scherpste werd afgekeurd. Na de publicatie van de Duitse verordening op 13 maart kregen de studenten tot uiterlijk 10 april de gelegenheid om hun beslissing over het al dan niet tekenen te nemen. Gedurende deze vier weken en die erna was de discussie over de kwestie in alle steden met een universiteit of hogeschool steeds hoger opgelopen, zowel onder de studenten als in de Academische Senaten. Mussert vond dat hij zich op het idee de studenten een loyaliteitsverklaring te laten tekenen mocht beroemen. Ook de Duitsers lieten zich wat hun opstelling betreft bepaald niet onbetuigd blijkens het verslag van de bijeenkomst van de Utrechtse Senatus Contractus op 20 april. Artikelen in het landelijke studentenblad De Geus lieten er aan de andere kant geen twijfel over bestaan, welk keuze door de achterban gemaakt behoorde te worden.

Alleen de Academische Senaat van Delft stuurde de studenten de verklaring met een positieve aanbeveling toe, aangezien deze zich door een actief verzetsman onder zijn leden had laten overtuigen dat zo’n handtekening tegenover een leugenachtige bezetter tot niets verbond. De overige instellingen hielden zich afzijding of wezen het tekenen af. De 14.600 studenten verwierpen de loyaliteitsverklaring met een overweldigende meerderheid van 85 %. Van de 2000 meisjes-studenten tekenden er slechts 120. De percentages per instelling waren: Nijmegen 0,3 %, VU 1,1 %, Tilburg 2,2 %, Groningen 9,3 %, Rotterdam 11,7 %, Utrecht 12,6 %, Wageningen 14, 6%, UvA 17,5 %, Delft 25,6 %. Opvallend zijn de zeer lage percentages van tekenaars bij de instellingen met een confessionele achtergrond.

Het is goed zich te realiseren, dat aan de percentages overal een vrije uitspraak van de studentengemeenschap ten gronde lag. Er werd geen dwang uitgeoefend, maar de weigering om te tekenen betekende uiteraard wel het opgeven van de studie: geen gering besluit. Dat 85 % van de Nederlandse studenten niet tekende heeft als verzetsdaad een Europese glans. In het grote Franse museum over de Tweede Wereldoorlog te Caen wordt dit feit in de permanente tentoonstelling expliciet gememoreerd.



Bud Andrée Wiltens
Bud Andrée Wiltens

Een van de opvallende facetten van het Utrechtse studentenverzet is, dat er zich een aantal personen in manifesteerde met uitzonderlijke kwaliteiten, kwaliteiten van zeer verschillende aard bovendien. De Utrechter Bud Andrée Wiltens was voorzitter van de Raad van Negen. Hij heeft zich tijdens de crisis over de loyaliteitsverklaring laten kennen als een studentenleider die over inzicht, overwicht en moed beschikte. Aan de zware eisen welke zijn positie toen stelde voldeed hij volkomen.

Brief aan 'Hoogleeraren en Docenten', d.d. 2 juni 1943

De brief, die de vertegenwoordigers van de studenten op 2 juni 1943 aan de hoogleraren en andere docenten schreven, is van groot belang. Op een niet mis te verstane wijze uitten de schrijvers van de brief hun teleurstelling over het feit, dat zij van de hoogleraren en docenten en met name van de rector magnificus niet de steun gekregen hadden, waarop zij gemeend hadden te mogen rekenen. Er is sprake van een vertrouwensbreuk. Bij de heropening van de Utrechtse universiteit in september 1945 zou de teleurstelling van de studenten over de houding van hun 'leermeesters' tijdens de oorlog uitvoerig aandacht krijgen.

De brief herinnert ook kort aan de spanningen in mei. De mannelijke studenten, die niet getekend hadden, kregen opdracht op 6 mei 1943 naar Ommen te komen om vandaar in het kader van de Arbeitseinsatz naar Duitsland getransporteerd te worden. De Höhere SS- und Polizeiführer Hans Rauter had op 5 mei bekend gemaakt, dat de ouders van studenten die niet getekend hadden aansprakelijk konden worden gesteld voor het wegblijven van hun zoons. In die meidagen hadden de ook eerder actieve 'omkletsploegen' dan ook enorme inspanningen moeten leveren om studenten, die uit angst voor hun familie naar Ommen wilden gaan, van dat voornemen af te houden. Niet tekenen en niet naar Ommen gaan, hield de consequentie in dat men moest onderduiken.

Slot van Andrée Wiltens' rede bij Nationale Herdenking Universitair Verzet, d.d. 25 november 1985

Pas op 5 mei 1943 waren de bedoelingen van de bezetter ten aanzien van degenen die weigerden te tekenen duidelijk geworden. De mannelijke niet-tekenaars moesten zich in Ommen voor tewerkstelling in Duitsland melden. Op dat moment stonden deze studenten opnieuw voor de vraag tekenen of niet tekenen. SS Polizeiführer Rauter dreigde met represaille-maatregelen tegen de ouders en voogden van de niet-tekenaars, als dezen nalieten naar Ommen te gaan en dus de onderduik verkozen.

Per 10 april waren er circa 2200 tekenaars, een aantal dat tot 13 april met nog eens ongeveer 250 nieuwe tekenaars toenam. In de tweede helft van april kwamen daar, onder de druk van oproepen voor werk in Duitsland, nog eens 1300 tekenaars bij. Van de 2000 meisjes-studenten tekenden slechts 120 de loyaliteitsverklaring. Op het totale aantal van 14600 studenten hadden er dus tenslotte niet meer dan circa 3750 (dat wil zeggen ongeveer 25 %) getekend.

De actie van Rauter op 5 mei 1943 om niet-tekenaars te dwingen zich voor werk in Duitsland in Ommen te melden met het dreigement ouders en voogden verantwoordelijk te stellen, had bij bijna 4000 van hen resultaat. Dat dreigement is namelijk voor velen onder hen van doorslaggevende betekenis geweest.

Het zogeheten ‘Studentenverzet’ was hiermee voorbij. Bleef over het ‘Verzet van Studenten’ die op individuele basis hun persoonlijke rol speelden in het georganiseerde verzet dat dan weer meehielp de niet-tekenaars, die succesvol uit Duitsland gevlucht waren te helpen aan onderduikadressen en bonkaarten. Er kwam trouwens ook een zich ironisch ‘Aussenministerium’ noemende groep van de grond, aangestuurd door de Delftenaar Wim Zeeman, die naar Duitsland afgevoerde studenten opzocht en hen van valse verlof-en vervoerbewijzen voorzag om clandestien naar Nederland terug te kunnen keren.

De Duitse autoriteiten keken al met al terug op een volledige mislukking van hun beleid. In plaats van Nederlandse universiteiten en hogescholen, die als de Duitse meehielpen om het gedachtegoed van het Groot-Duitse Rijk te verspreiden, lag het universitaire onderwijs in Nederland vrijwel stil en was het arsenaal aan jonge potentiële verzetsmensen uitgebreid met circa 5000 mannelijke en 2000 vrouwelijke niet-tekenaars, die in Nederland actief konden worden doordat zij zich niet alleen aan het tekenen, maar ook aan de gedwongen tewerkstelling in Duitsland onttrokken hadden.



Prof.Dr. J.A. Vening Meinesz
Verontwaardigde brief Vening Meinesz aan Van Vuuren

De buitengewoon hoogleraar geofysica J.A. Vening Meinesz meldt zich in een brief d.d. 25 juni 1943 af voor de vergadering van de Academische Senaat, welke de volgende dag gehouden zal worden. In zijn aanhef bezigt hij de titulatuur 'Hoog Geleerden' en hij hanteert tevens de aanspreekvorm 'u'. In die tijd was het heel gebruikelijk om formeel met dit soort dingen te zijn. In dezelfde archiefmap bevindt zich echter een brief, d.d. 24 maart 1943, waarin Vening Meinesz de rector magnificus tutoyeert en de aanhef 'Waarde Van Vuuren' luidt.

Vening Meinesz is er verontwaardigd over, dat bepaalde onderwerpen op de Senaatsvergadering niet aan de orde gesteld mogen worden. Er zal niet gesproken mogen worden over de tewerkstelling van studenten in Duitsland en het gevaar dat studenten lopen die ondergedoken zijn. Ook over een staken van het onderwijs moet worden gezwegen.

De Geus in oktober 1943 over Van Vuuren

Het landelijke studentenblad De Geus onder studenten publiceerde in oktober 1943 een bijzonder kritisch artikel over de houding van de Utrechtse rector magnificus L. van Vuuren. Zijn beleid wordt van zijn aantreden als rector in september 1941 in ogenschouw genomen en veel positiefs wordt er niet in ontwaard. De Zuivering na de oorlog had uiteraard een negatief vonnis voor Van Vuuren ten gevolge.

Wel dient na het doornemen van het archiefmateriaal over hem toch ook vermeld te worden, dat Van Vuuren bij elk beroep op hem van Joodse zijde getracht heeft te doen wat men van hem vroeg. Hij moet beseft hebben, dat zijn pogingen iets ten gunste van Joden te doen in feite uitzichtsloos waren. Toch gaf hij altijd gehoor aan hun verzoeken.

Het niet tekenen van de Loyaliteitsverklaring was verzet, maar terwijl de crisis daarover zich toespitste hielden Utrechtse studenten zich ook bezig met andere vormen van verzet. Zo zette het Utrechts Kindercomité, ten volle overtuigd van de bittere noodzaak kalm en resoluut te zijn, zijn werkzaamheden voort.

Rijmprent De Achttien Dooden: het ontstaan van De Bezige Bij

Ergens in de voorjaarsmaanden van 1943 aten enkele leden van het Utrechts Kindercomité in het naast de boekhandel Bijleveld gelegen restaurant aan het Janskerkhof. Dat heette toen Kortenbach. Daar is de uitgeverij De Bezige Bij in feite ontstaan, doordat Anne Maclaine Pont uit Zwolle Jan Camperts gedicht De Achttien Dooden had meegebracht en dit aan een van de aanwezigen, Geert Lubberhuizen liet zien. Zij had het gedicht gekregen van een oom in Zwolle, die bevriend was met de Joodse schrijver Victor van Vriesland en het mogelijk dankzij deze in zijn bezit had. Lubberhuizen zag onmiddellijk de mogelijkheid om wat met het gedicht te ondernemen, herinnert zich een andere tafelgenoot, Rut Matthijsen, zich. Lubberhuizen kende een tekenaar Fedde Feidema uit de tijd, dat zij samen in een band speelden. 'Coen van H.' (pseudoniem van Fedde Weidema) vervaardigde op Lubberhuizens verzoek dus tekeningen. Van de tekeningen maakte het bedrijf Photogravure van H. Volkers aan de Oude Gracht cliché's, waarna de tekst van het gedicht van Jan Campert en de cliché's samen naar de drukkerij van Jan Hendriks aan de Asch van Wijckskade gingen. Daar kwam dan de rijmprent De Achttien Dooden uiteindelijk tot stand.

De rijmprent werd een groot financieel succes. Opeens kwam er dankzij de verkoop van de prent een grote hoeveelheid geld bij het Kindercomité binnen. Bijna vanzelfsprekend ontstond er bij Lubberhuizen de animo om op het uitgeverspad verder te gaan. Eind 1943 richtten hij en een medecorpslid Charles van Blommestein officieus de uitgeverij De Bezige Bij op. De officiële start van de uitgeverij dateert van december 1944. De naam is bedacht door Anne Maclaine Pont. Haar viel het altijd bezig en druk zijn van Geert Lubberhuizen op: Hij was 'busy as a bee can be', zei ze. De naam 'De Bezige Bij' is dus te danken aan Geert Lubberhuizens aard. De uit de verkoop voortvloeiende inkomsten stimuleerden om op het ingeslagen pad voort te gaan.

Fragment Rijmprent De Achttien Dooden
1e druk (te herkennen aan de derde letter 'e' aan het begin van het gedicht: de initiaal - de rode 'E' - werd als sierletter toegevoegd).


Jan Hendriks, Vijf jaar drukkunst in het verborgene, Utrecht [1945]
Het gedeeltelijk verwoeste Amsterdamse Bevolkingsregister

Het gebouw van het Amsterdamse Bevolkingsregister werd ten gevolge van de aanslag op 27 maart 1943 gedeeltelijk verwoest.

Johan Brouwer onderhield contacten met het Amsterdamse kunstenaarsverzet. In samenwerking hiermee zou hij op 27 maart 1943 fungeren als een van de centrale figuren bij de aanslag op het Bevolkingsregister aan de Plantage Kerklaan in Amsterdam. Hij, Willem Arondéus (die met Gerrit van der Veen de overval leidde) en de meeste andere deelnemers aan de overval zijn op 1 juli 1943 gefusilleerd. Gerrit van der Veen wist te ontsnappen, maar is in 1944 op een onderduikadres gevangen genomen en korte tijd later ook gefusilleerd.

Bij de aanslag op het Amsterdamse Bevolkingsregister waren door toedoen van Johan Brouwer ook de corpsstudenten Cees Honig en Willem Beck, en - tijdens de voorbereiding - de UVSVster Mechteld van Hardenbroek (vervoer en aflevering springstof) betrokken. Honig en Beck namen deel aan de actie zelf. Als aankomende artsen hadden zij de opdracht gekregen de Nederlandse bewakers een injectie toe te dienen, die hen verdoofde maar niet zou doden.


Brief president-curator over gevangenneming Honig tijdens zijn examen
In een brief uit president-curator H.Th. s'Jacob zijn ongenoegen over de gevangenneming van Cees Honig tijdens zijn artsexamen. De directeur het Stads- en Academisch Ziekenhuis, waar het examen (onderdeel gynaecologie) plaats vond, had de SD ingelicht over plaats en tijdstip. De directeur vond dit terecht, omdat Honig volgens hem een uiterst gevaarlijk misdadiger was. s'Jacob vindt echter, dat de directeur ten onrechte geen rekening had gehouden 'met de grenzen welke de belangen van het onderwijs en van de belangen der zieken stellen'.
Het hoofdkwartier van de SD aan de Euterpestraat (thans Gerrit van de Veenstraat) in Amsterdam
Cees Honig en Willem Beck werden verhoord in het hoofdkwartier van de SD aan de Euterpestraat en verbleven vervolgens enige weken in de gevangenis aan de Weteringschans. Zij werden evenals alle andere deelnemers aan de aanslag ter dood veroordeeld. Dankzij een oom van Cees Honig, H.C. van Maasdijk, die een belangrijke positie had in de NSB en op het eind van de oorlog nog kort burgemeester van Den Haag is geweest, werd de doodstraf van hem en Beck omgezet in een vrijheidsstraf. Zij werden in het concentratiekamp Dachau opgsloten. Honig en Beck overleefden de oorlog ondanks de verschrikkingen van dat kamp.
Engelandvaarders

Titelpagina van Daniël de Moulin's Engelandvaardersdagboek.

Daniël de Moulin was een prominent Unitas-lid. Toen hem de grond in Utrecht te heet onder de voeten werd, besloot hij het bezette Nederland te verlaten en naar Engeland te gaan. Er zijn meer Utrechtse studenten geweest, die die beslissing namen.

In de tijd van de crisis rond de loyaliteitsverklaring kreeg Bert Sedee van vrienden het advies om naar Engeland uit te wijken. Hij had vanuit de Duitsers geoordeeld een strafregister en liep dus risico's. Bert Sedee herinnert zich niet exact meer, wanneer hij vertrok, maar een tijdstip ergens in maart of april 1943 ligt het meest voor de hand. In Parijs liep hij zijn jaarclubgenoot Wim Ente tegen het lijf, die ook op weg was naar Engeland. Zij maakten de verdere reis gezamenlijk. Een van de moeilijkste fasen van de tocht was het overtrekken van de Pyreneeën.

Bert Sedee en Wim Ente slaagden in hun poging Engeland te bereiken. Bert Sedee meldde zich daar aan bij de marine.