Deportatiedreiging: Vergadering Rector met Assessoren, d.d. 9 december 1942

Na een aanvankelijk protest was in Den Haag secretaris-generaal J. van Dam akkoord gegaan met het Duitse plan voor tewerkstelling van studenten in Duitsland. Op 9 december 1942 legde Van Dam de situatie voor aan de rectores magnifici, die op hun beurt ook protesteerden.

De VU, Tilburg en Rotterdam lieten als reactie met onmiddellijke ingang de kerstvakantie ingaan. In enkele andere steden braken onder de studenten proteststakingen uit. In Utrecht werd de studentenadministratie in brand gestoken. Op 14 december besloot de Raad van Negen te trachten de stakingen een algemeen karakter te geven door de oproep colleges en practica te mijden. Deze oproep had niet veel resultaat. In Utrecht werd de kerstvakantie snel afgekondigd. In Groningen en aan de UvA werd geaarzeld, terwijl men in Delft onvoldoende uitzicht op een succesvolle actie zag en er dus voor terugschrok. Van Dam nam de zaak bovendien opnieuw met de Duitse autoriteiten op, waardoor deze mede als gevolg van de onrust besloten af te zien van het plan om studenten naar Duitsland te sturen.

De Raad van Negen moest op haar eind december 1942 gehouden vergadering constateren, dat de stakingsoproep van 14 december niet het gewenste resultaat had geboekt. Dit was een goede reden om nog eens extra aandacht te besteden aan de plaatselijke organisaties. Ook bleef nog de vraag, of de Duitsers echt afzagen van het tewerkstellingsplan en er niet alleen maar sprake van uitstel was.

Telegram president-curator s'Jacob over de brand in het Academiegebouw

De voorzitter van het College van Curatoren H.Th. s'Jacob lichtte met een telegram het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming onmiddellijk in over de brand in de nacht van 12 op 13 december 1942 in het Academiegebouw. De vijf studenten die de studentenadministratie in brand staken reageerden op de tijding, dat de Duitsers circa 7000 Nederlandse studenten voor de arbeidsinzet wilden selecteren. Pas lang na de oorlog, in 1959, kwamen hun namen in de openbaarheid: Frits Iordens, die lid was van het Consilium, de clandestiene senaat van het Corps, nog drie corpsleden, te weten Rutger Matthijsen, Geert Lubberhuizen, Gijs den Besten, en verder een vrouwelijke student, Anne Maclaine Pont. Geert Lubberhuizen werd in 1959 als directeur van De Bezige Bij geïnterviewd door de Volkskrant, wat uiteraard aanleiding gaf om over de illegale start van deze uitgeverij tijdens de oorlog te spreken. In die context onthulde Lubberhuizen nadere bijzonderheden over de brand in het Utrechtse Academiegebouw, waarvan tot op dat moment niet bekend was wie daarbij betrokken waren geweest.

Vier van de vijf studenten, die de brand in het Universiteitsgebouw stichtten, maakten deel uit van het Utrechts Kindercomité: Frits Iordens, Geert Lubberhuizen, Rutger Matthijsen en Anne Maclaine Pont. In november waren zij druk bezig geweest met plannen om de bijeenkomst van het Nationaal Socialistisch Studentenfront mis te laten gaan. Met het oog daarop had Rut Matthijsen toen op een avond een verkenning in het Academiegebouw uitgevoerd en onder meer vastgesteld, dat de sleutels van de diverse zalen zich in het kamertje van de conciërge bevonden en daar gemakkelijk weg te pakken waren. Op 12 december was er dus een nieuwe reden voor een onderneming: het Duitse plan van de arbeidsinzet tegengaan. Iordens had kennelijk Den Besten gevraagd mee te doen met hem en de drie andere leden van het Kindercomité. Anne Maclaine Pont liet zich 's avonds insluiten in een werkkast en liet degenen die met haar in het complot waren om twaalf uur 's nachts binnen. En alles liep goed ...



Foto van het Universiteitsgebouw
gemaakt door een Duitse soldaat
vanaf de Domtoren
Verslag secretaris College van Curatoren over de schade
De Secretaris van het College van Curatoren stuurde op 16 december 1942 een verslag over de door de brand aangerichte schade rond. Het Inschrijvingsbureau, waar de studentencartotheek zich bevond was totaal uitgebrand. Van het vertrek daarboven, de faculteitskamer Wis- en Natuurkunde ging het grootste deel van de inboedel verloren. Onder meer was dit het geval met twee van het Rijksmuseum geleende, zoals de Secretaris het uitdrukte, niet bijzonder belangrijke schilderijen.
Oproep rector magnificus om zich opnieuw in te schrijven
Rector magnificus L. van Vuuren probeerde de studentenadministratie weer op orde krijgen. Hij liet daarom op 24 december een oproep naar de studenten uitgaan met de opdracht zich opnieuw in te schrijven.
Zorgen rector over herstel cartotheek

Blijkens een telegram, dat Van Vuuren op 8 januari 1943 naar Den Haag stuurde met het oog op het weer in orde brengen van de administratie, maakte hij zich al snel zorgen over het herstel van de studentencartotheek. Zijn oproep aan de studenten om zich weer in te schrijven stuitte op onwil. Velen deden dit niet of leverden, zoals onder meer leden van Veritas, foutieve gegevens aan. De reconstructie van de administratie mislukte inderdaad volkomen, zoals uit het ontbreken van inschrijvingsgegevens voor de jaren 1936 tot 1943 in het universiteitsarchief blijkt.

Curieus is, dat er op de avond van 12 december in het Universiteitsgebouw een vergadering van de Academische Senaat plaatsvond. Van Vuuren deelde daaraan mee, dat hij juist 's middags uit Den Haag opdracht had gekregen gegevens over de Utrechtse studenten in te leveren. Hij zei, dat hij niet van plan was aan die wens gevolg te geven. De vergadering was het wat dit betreft geheel en al met hem eens en stemde in met het protest, dat hij de secretaris-generaal van het departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming wilde gaan sturen.

Wat later vroeg Van Vuuren de aanwezigen echter er toch vooral voor te zorgen, dat de studentenadministratie over de meest recente gegevens van de studenten beschikte. Juist in deze tijd, zei Van Vuuren, was het van belang dat het kaartsysteem zo volledig mogelijk was. De hoogleraar geologie, L.M.R Rutten stelde naar aanleiding van het verzoek van de rector de schampere vraag: 'Bedoelt u dit in verband met eventuele uitzending naar Duitsland?' Van Vuuren reageerde met 'Neen', het was met het oog op de eigen Arbeidsdienst. Deze confrontatie tussen hem en een van de aanwezigen laat zien, dat er zo langzamerhand toch twijfels in de boezem van de Academische Senaat gingen rijzen over de vraag, of Van Vuurens beleid als rector magnificus altijd juist was. Er bestonden trouwens al sinds eind 1941 afzonderlijke bijeenkomsten van Utrechtse professoren, van de zogenaamde 'Dubbel Zeven' die allengs steeds kritischer gestemd raakten ten opzichte van de neiging van Van Vuuren om de bezetter steeds maar weer tegemoet te komen.

Wat een schok moet het overigens voor Van Vuuren geweest zijn, toen hij, zo kort na deze vergadering, van de brand in het bureau van de studentenadministratie hoorde!

'In Memoriam' voor Frits Iordens
Vier van de brandstichters overleefden de oorlog. Frits Iordens werd in maart 1944 in het Belgische Hasselt doodgeschoten, toen hij trachtte te vluchten na in de trein gevangen genomen te zijn (pilotenhulp). De oorlog had een innige band tussen Frits Iordens en Anne Maclaine Pont, net als hij betrokken bij de brandstichting in het Academiegebouw, gesmeed. Zijn dood betekende een klap voor haar, die zij niet te boven kwam. Tot verzetswerk was Anne Maclaine Pont, die eerder letterlijk alles durfde, niet meer in staat.
UVSV-almanak 1946: de brand omslagpunt
In het verslag van Puck Pino over de UVSV tijdens de oorlogsjaren wordt de brand in het Academiegebouw als omslagpunt aangemerkt. Tevoren waren er op kleine schaal nog allerlei evenementen. Daarna houden die vrijwel op.
Brief rector magnificus Van Vuuren aan departement

Van Vuuren schreef op 21 december 1942 een brief aan O.P.D. Op ten Noort, een hoge ambtenaar op het departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming. In deze brief gaf hij nadere bijzonderheden over de gevangenneming van dertien studenten op 15 december. Zij waren opgepakt in verband met de brandstichting in het Academiegebouw en het aanplakken van pamfletten, waarin geprotesteerd werd tegen de benoeming van Mussert tot leider van het Nederlandse volk (op 13 december) en opgeroepen werd tot een staking. Dat laatste vanwege de plannen van de bezetter om Nederlandse studenten voor de Arbeitseinsatz in Duitsland te werk te stellen. De meesten waren wegens gebrek aan bewijs weer snel vrijgelaten.

Wat de brand in het Academiegebouw betreft had een student verklaard, dat deze niet door studenten gesticht kon zijn, omdat die brandstichting dom was en Nederlandse studenten niet dom waren. Van Vuuren heeft juist een dergelijk standpunt altijd ingenomen. Hij meende, dat alle studenten wisten dat op het Centraal Bureau voor de Statistiek in Den Haag duplicaten van de kaarten in de cartotheek van het Inschrijvingsbureau te verkrijgen waren. Zelfs in zijn rectoraal jaaroverzicht van september 1943 herhaalde hij dit argument, hoewel hij de administratie niet op orde had kunnen brengen.

Onder de namen van de op 15 december gevangen genomen studenten, bevinden zich die van de Unitariër Siebe Lijftocht en het corpslid Bert Sedee. Sedee was een jaar eerder voor zes maanden geschorst vanwege zijn betrokkenheid bij het Esplanade-incident. Lijftocht zou later aan het hoofd komen te staan van het Utrechtse koeriersbureau van het Nationaal Comité van Verzet (NC).

Vanwege de onrust over de Arbeitseinsatz had Van Vuuren overigens de Kerstvakantie een week vroeger laten ingaan.

Duits commentaar op de gebeurtenissen in Utrecht
Op 15 december 1942 vond er in Utrecht een vanuit Amsterdam georganiseerde Duitse actie plaats om verdachte Utrechtse studenten op te pakken. Deze 'Blitz', zoals het daarover bij het NIOD bewaarde Duitse document de actie betitelt, ging uit van de Amsterdamse Aussenstelle waaraan als hoofd de SS-Sturmbannführer Willy Lages (één van de Vier van Breda) die tekende verbonden was. Er werd een commando-eenheid van de Sipo (Sicherheitspolizei) en SD aldaar voor naar Utrecht gedirigeerd. Het rapport was bestemd voor de commandant van de Sicherheitsdienst en SD in Nederland, SS-Brigadeführer Wilhelm Harster. In het stuk is sprake van zestien gevangen genomen studenten. In werkelijkheid waren het er dertien.
Aanvullend commentaar van Duitse zijde op de gebeurtenissen

Op het eerste bericht over de actie van 15 december 1942 in Utrecht volgde een uitvoerig schrijven, gericht aan Harster, met nadere bijzonderheden. Hiervoor was ditmaal namens de Amsterdamse Aussenstelle de SS-Sturmbannführer Blumenthal verantwoordelijk. In de brief wordt een verband gelegd tussen een op alle universiteiten onder de studenten verspreid pamflet en de brand. Dat pamflet reageerde op het plan van de bezetter om Nederlandse studenten voor de Arbeitseinsatz naar Duitsland te sturen. De studenten kregen de raad elke oproep hiervoor, zowel in de pers als aan hun persoon gericht, te negeren. Voorts moest iedereen alle notities met adressen van medestudenten vernietigen. Volgens de brief kon het idee van de brandstichting in het Inschrijvingsbureau van de Utrechtse universiteit daardoor ontstaan zijn.

Vervolgens wordt over de brand zelf verteld. Er was een cartotheek, die omstreeks 4000 inschrijvingskaarten bevatte. De cartotheek was volledig verloren gegaan. Het vertrek, waar de kaarten zich bevonden, was uitgebrand evenals de kamer daarboven.

De veronderstelling in het document, dat de brandstichters zich via de tuin toegang tot het Academiegebouw hadden verschaft, klopt niet, want zij kwamen gewoon via de voordeur naar binnen. De gegevens over de bevindingen in het uitgebrande Inschrijvingsbureau zijn daarentegen interessant, want afkomstig van degenen die ter plaatse een onderzoek ingesteld hadden. Er was een blauwe damesmantel (ein blauer Damenmantel) tussen de 'Schut' aangetroffen, die gezien de ontkenningen van het in het Academiegebouw werkzame personeel wel van een bij de brand betrokken persoon moest zijn. Volgens de overlevering zou Frits Iordens zijn regenjas in de kamer van de cartotheek achtergelaten hebben. In werkelijkheid moet het dus Anne Maclaine Pont geweest zijn, die haar mantel liet liggen.

Bij de Amsterdamse Aussenstelle is men vol goede hoop wat het vatten van de daders aangaat.

De brief gaat dan verder over studenten, die van plan waren de gevels van huizen van NSBers van opschriften te voorzien. De brief wordt zelfs - onbedoeld natuurlijk - geestig, als de door de studenten bedachte opschriften achter elkaar opgesomd worden. Zij maken tevens duidelijk, dat het uitroepen van Mussert tot leider van het Nederlandse volk een enorme irritatie opriep.

Duits bericht over stand van zaken
Op 21 december 1941 maakt de SS-Obersturmbannführer Knolle de balans op. Hij stelt vast, dat er van de dertien gevangen genomen Utrechtse studenten nog zes vastzitten. De brandstichters in het Academiegebouw van Utrecht zijn niet opgespoord. Omdat de vakantie pas in januari afloopt en het onderzoek voortgaat, zijn maatregelen tegen de Utrechtse universiteit en de studenten daar vooralsnog misplaatst.