Rector magnificus Van Vuuren
wenst praeses Wim Eggink geluk
met het lustrum van de VUGS
De organisator van het Utrechtse studentenverzet Wim Eggink

Wim Eggink had zich niet bij een gezelligheidsvereniging aangesloten, maar was als student sociale geografie zeer actief in de studievereniging voor geografie-studenten, VUGS. Hij liet daarin reeds zien, wat na de bevrijding steeds duidelijker zou worden: dat studieverenigingen een aantrekkelijk alternatief voor de gezelligheidsverenigingen kunnen vormen. Wim Eggink was via Jan Verhagen bevriend geraakt met het corpslid Jan van Mansvelt. Via deze kwam hij in contact met de netwerken van de gezelligheidsverenigingen, wat zijn verzetswerk uiteraard zeer ten goede kwam. Dankzij zijn kennissenkring kon hij begin 1942 in de studentenwereld organisaties voor clandestien overleg tot stand brengen, eerst het Utrechts Studentencontact en later de landelijke Raad van Negen. Van het Utrechts Studentencontact is hij zelf ook lid geweest. Tot dan waren in dergelijke samenwerkingsorganen altijd alleen de studentenverenigingen vertegenwoordigd. In het Utrechtse Studentencontact was Wim Eggink echter vertegenwoordiger vande 'nihilisten', de niet-verenigingsleden, geworden. Naar de Raad van Negen voor de steden met Hoger Onderwijs-instellingen had Utrecht in overleg met hem het corpslid Bud Andrée Wiltens afgevaardigd.

Toen de Duitse bezettende macht in november 1940 de universiteiten opdroeg hun Joodse hoogleraren en docenten te schorsen, had Eggink met zijn anonieme oproep om te gaan staken geen succes. De Academische Senaat was evenals het College van Curatoren tegen een staking. De hoogleraren met de rector magnificus Kruyt voorop slaagden er in, al was het niet zonder moeite, de studenten te overtuigen, dat zij kalm moesten blijven. In Leiden werd wel gestaakt, met als gevolg dat de universiteit aldaar door de Duitsers gesloten werd. Het toenemend misdadige karakter van de bezeting toonde het morele gelijk van Wim Eggink aan.

Wim Eggink wist ook indien nodig de voor bepaalde taken bij uitstek geschikte personen te charteren. Zo betrok hij het corpslid Jan Verhagen, in 1941-1942 nog een eerstejaars-student, bij het werk voor Slaet op den Trommele. Deze wist zich vervolgens met het in een luistercentrale opnemen van teksten van Radio Oranje en de BBC gaandeweg steeds nuttiger voor de illegale pers te maken.

Eggink heeft - zeer belangrijk! - in contact met de vanuit Leiden opererende redactie van het landelijke illegale blad De Geus onder Studenten gestaan. Jan Verhagen herinnert zich namelijk, dat hij op een gegeven moment op diens verzoek een adres voor het drukken van De Geus moest zien te vinden. Verhagen woonde in Woerden en wist het karwei bij de drukkerij 'De Rijnstroom' aldaar onder te brengen.

Wim Eggink overleed in april 1945 in Hameln, waar hij na zijn gevangenneming en veroordeling dwangarbeid in een steengroeve moest verrichten.

De Raad van Negen

In het najaar van 1941 ontstond er behoefte aan een illegaal optredend landelijk orgaan ter vervanging van de legale Nederlandsche Studenten Federatie, die aan het eind van haar mogelijkheden was geraakt. Mede door toedoen van de Utrechter Wim Eggink en de Leidenaar Han Gelder, die zijn studie indologie na de sluiting van de Leidse universiteit te Utrecht had voortgezet, kwam eind 1941, begin 1942 de illegale ‘Raad van Negen’ tot stand. Hierin was iedere universitaire instelling nog slechts door één persoon vertegenwoordigd. De broers Jan en Huib Drion, redacteuren van De Geus onder Studenten woonden de vergaderingen - alleen of samen - eveneens bij, terwijl de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam soms nog een additionele vertegenwoordiger stuurde in de persoon van de toekomstige Rotterdamse hoogleraar neurochirurgie S.A. de Lange. Het getal ‘Negen’ was een verwijzing naar het aantal steden, waar de universitaire instellingen (universiteiten of hogescholen) waren gevestigd. Amsterdam herbergde echter twee universiteiten, namelijk de Gemeentelijke Universiteit (UvA) en de Vrije Universiteit (VU).

De inbreng van niet bij de traditonele studentenverenigingen aangesloten studenten valt op. De initiatiefnemers Eggink en Gelder, de Drions en De Lange maakten geen van allen deel hiervan uit. De verhoudingen in de Raad van Negen vertoonden dus niet het in de Nederlandse studentenwereld van voor de oorlog gebruikelijke beeld. In recente historische analyses is aan de vooroorlogse traditionele verenigingen, met name aan de klassieke studentencorpora, wel eens een overheersende en exclusieve rol in het studentenverzet 1940-1945 toegeschreven. Dit vindt echter geen steun in een zorgvuldig onderzoek naar de personen die daarin een markante rol hebben gespeeld. Tegenover de meedogenloze bezetter stond men voor een opdracht, die de scheidslijnen van vroeger geheel en al uitvlakte.

Idee en gedaante van het Groot Duitsche Rijk

In oktober 1941 hield het hoofd van de 'Afdeeling Wetgeving van het Rijkscommissariaat voor het bezette Nederlandsche gebied', Kurt O. Rabl een zestal lezingen in Utrecht. De lezingen werden in 1942 uitgegeven. In het voorwoord bedankte Rabl 'den Heer Rijkscommissaris, Rijksminister Dr. Seyss-Inquart' voor het toestaan van de lezingen en de publicatie ervan. Ook de Secretaris-Generaal (J. van Dam) van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming ontving dank. Dan gaat de tekst verder:

'In het bijzonder voel ik mij verplicht, mijn beleefden dank te uiten voor de uitnoodiging van de heeren Curatoren van de Utrechtsche Universiteit, om aldaar dit onderwerp te komen bespreken. Ik waardeer deze uitnoodiging des te meer, omdat daardoor ook van deze zijde een volledig begrip wordt getoond voor de geestelijke noodzakelijkheid, onze volken nader te brengen.'

Het behoeft geen betoog, dat het College van Curatoren opdracht, nee bevel kreeg om Rabl uit te nodigen. Het wist zich niet aan de vernederende verantwoordelijkheid voor Rabl's lezingen - met een op een flink aantal plaatsen antisemitische tekst - te onttrekken. De auteur van de inleiding, de hoogleraar D.G. Rengers Hora Siccama werd overigens niet gedwongen datgene te schrijven wat hij schreef.

Siccama ging in 1942 als gewoon hoogleraar met emeritaat, maar kon dankzij een benoeming tot Bijzonder hoogleraar blijven doceren. Bij het hem in 1945 op grond van het Zuiveringsbesluit gegeven ontslag verloor hij aanvankelijk zelfs zijn pensioenrechten. De tragiek bij een man als deze hoogleraar was, dat hij het ongeluk had altijd pro-Duits geweest te zijn en daardoor niet de wending wist te maken die de oorlogssituatie vereiste. Zonder 1940-1945 zou er geen smet op zijn naam gerust hebben. Zijn enige zoon Wiete veranderde wel van inzicht en sloot zich bij een sabotagegroep aan. Het verzet kostte de zoon het leven.

Intellectuele inspiratie: Johan Brouwer, Philips Willem
Naar voren geschoven door Wim Eggink werd het corpslid Bud Andrée Wiltens lid van de in Egginks kamer opgerichte Raad van Negen, het centrale landelijke orgaan voor de coördinatie van het studentenverzet. Maar Andrée Wiltens deed ook nog allerlei andere dingen. Onder meer stimuleerde hij medestudenten om de geheime lezingen van de aan de Tolsteegsingel wonende hispanoloog Johan Brouwer te bezoeken. Brouwer had deelgenomen aan de Spaanse burgeroorlog. Hij stond in de eerste plaats geestelijk verzet voor, maar achtte ook gewelddadig verzet tegen de Duitse bezetter gewettigd. Johan Brouwers vertaling van het door José Ortega y Gasset geschreven De Opstand der Horden was een veel gelezen boek. Diens eigen werk Philips Willem werd in 1941 verboden.
UVSV Almanak 1946 over Johan Brouwer

De twee hier getoonde pagina's 105 en 106 van de UVSV Almanak laten, aansluitend bij de drie eerder hieruit weergegeven bladzijden, treffend zien, hoe onder het vrouwelijke segment van de Utrechtse studentenpopulatie de behoefte om zich te verzetten groeide. Interessant met name is de nadruk die de schrijfster Olga Hudig legt op de geestelijke motivering van het verzet met haar verwijzing daarbij naar de invloed van de schrijver Johan Brouwer, terwijl er verder door haar zo terecht met waardering gesproken wordt over de inspanningen van Wim Eggink en - wordt toegevoegd - de Leidse student Han Gelder om overal lokaal contactcommissies op te zetten.

Kennelijk is er een afzonderlijk landelijk overleg tussen de vrouwelijke studentenverengingen gestart, een feit dat ook al weer belangrijk genoeg is om te vermelden.

En tenslotte iets bepaald indrukwekkends. De UVSV was in juli 1941 niet opgeheven. Men had slechts het Clubgebouw aan de Drift hoeven te ontruimen. Maar het verbod om nog Joodse leden aan te nemen leidde dan toch tot het stilleggen van het openbare verenigingsleven met ingang van 15 november 1941. Deze beslissing lag niet voor de hand gezien het feit, dat ondanks het ontslag van de Joodse hoogleraren en docenten in november 1940 en daarop volgende anti-Joodse maatregelen de Utrechtse universiteit openbleef. De UVSV vormde zich een eigen oordeel en bleek bereid daarvoor een groot offer te brengen.

Protestbrief Beauftragte Sommer tegen deelneming professor Cohen aan cortège

Brief Beauftragte Sommer met protest tegen deelneming Cohen aan cortège op de diës van 1942. (HUA, Archief Senaat en Rector Rijksuniversiteit Utrecht, inv. nr. 81, Ingekomen stukken etc., 1 april 1942)

De diës van de universiteit kreeg in 1942 nog een gebruikelijk verloop. De in toga gehulde hoogleraren begaven zich in een lange stoet naar de plaats, waar de diësrede gehouden werd. De Joodse emeritus-hoogleraar E.J. Cohen nam ook aan de cortège deel. De Duitse autoriteiten accepteerden zijn aanwezigheid niet en dreigden met een maatregel, als de universiteit zelf niet optrad. Een nogal pijnlijke kwestie voor de rector magnificus om op te lossen, naar zich laat denken.

Ontslag president-curator Bosch van Rosenthal
Op 27 april 1942 werd de voorzitter van het College van Curatoren L.H.N. Bosch van Rosenthal zonder opgave van redenen met onmiddellijke ingang ontslagen. Al eerder, in februari 1941, was Bosch als commissaris van de koningin in de provincie Utrecht afgezet. De overige leden van het College van Curatoren vroegen vanwege zijn ontslag uit solidariteit ook ontslag aan en berichtten dit aan de Academische Senaat. Deze besloot echter een beroep op hen te doen om gezien de moeilijke tijdsomstandigheden op hun beslissing terug te komen. Aldus gebeurde. Een van die andere curatoren, H.Th. s'Jacob werd vervolgens in plaats van Bosch voorzitter.


Ondergronds studentenleven

Foto met als onderschrift in het album het nader verklarende zinnetje: 'Overtuigd van de spoedige overwinning'.

De geliquideerde gezelligheidsverenigingen zetten na hun opheffing of als bij de UVSV het stilleggen van het verenigingsleven ondergronds zo goed en zo kwaad als het ging allerlei activiteiten voort. In 1941 en 1942 werd er nog een kennismakingstijd voor nieuwe leden georganiseerd. Een en ander was niet zonder gevaar. Zo behoedde Unitas het Corps voor een rampzalig gebeuren door te waarschuwen, dat het adres voor een bijeenkomst in het kader van de geheime ontgroening bij de NSB bekend was. Het aantal activiteiten liep dan ook snel terug.

Maar er gebeurde nu en dan toch wel wat. Blijkens de hier vertoonde foto vond er zelfs nog wel eens een ouderwets galafeest plaats, al gebeurde het dan ook heimelijk en bijgevolg weinig groots.

Op 26 maart 1942 is ook de diës van de universiteit nog in een studentenhuis gevierd. De feestvierders slopen op een gegeven moment van daar naar het Domplein om een krans rond de nek Jan van Nassau's standbeeld te gaan hangen. Vanaf het bewuste studentenhuis, Pieterstraat 2, hoefden zij overigens niet ver te lopen. Toevallig was de Duitse generaal Von Rundstedt in Utrecht en zou deze de volgende morgen het Universiteitsgebouw bezoeken. Toen de generaal de krans in het oog kreeg, verliet hij, woedend over de zijns inziens tekortschietende veiligheidsmaatregelen, de stad onmiddellijk. Met de nodige voldoening keken de studenten, die aan de bekransing van Jan van Nassau meededen, na afloop op hun zo goed geslaagde stunt terug. Met deze studentengrap hadden zij natuurlijk wel een gevaarlijk risico genomen, toch lonend omdat het verhaal gelijkgezinden die er van hoorden een hart onder de riem stak.

Postcheque, postgirostrook, abonnementskwitanties Peha
Bij de opheffing van de gezelligheidsverenigingen in juli 1941 verloren onder meer de bedienden van de sociëteit van het Utrechtsch Studentencorps, PHRM hun baan. Bud Andrée Wiltens zette ten behoeve van hen een bedrijfje op, 'Peha' geheten. Corpsleden in de eerste plaats, maar ook anderen besteedden hier allerlei werkzaamheden uit. Uiteraard kwam er een financiële administratie van de grond. Om deze enigszins te vereenvoudigen waren maand- en jaarabonnementen op de door de bedienden te verrichten taken mogelijk.
Lijst met opdrachten van A.J. (Bud) Andrée Wiltens voor het bedrijfje Peha
Bij Peha werden van dag tot dag in een op alfabet geordend register de opdrachten bijgehouden.


Prof.Dr. J. Wolff
Brief Joodse hoogleraar J. Wolff, d.d. 15 augustus 1942

De ontslagen Joodse hoogleraar wiskunde, J. Wolff schreef rector magnificus Van Vuuren vanaf begin augustus 1942 een aantal keren over de steeds moeilijker wordende situatie van hem en zijn gezin. Hier een op 15 augustus geschreven brief. Wolff somt op wat hem overkomen is vanaf het begin van de bezetting. Hij hoopt op hulp van Van Vuuren en doet daar ook een paar suggesties voor.

Halverwege 1942 is de situatie voor de Joden in Nederland zeer benauwd geworden. De Duitsers wilden, dat zij naar Amsterdam verhuisden om op die manier de verdere plannen met hen gemakkelijker te kunnen uitvoeren. Inmiddels was ook al bekend gemaakt, dat het de bedoeling was dat zij uit Nederland zouden vertrekken, zogenaamd naar werkkampen. Maar iedereen die aan de tot op dit moment genomen anti-joodse maatregelen in ogenschouw nam, wist dat de deportatie geen sprankje optimisme wettigde.

Hoe zouden de Joden geholpen kunnen worden? Het was natuurlijk een druppel op een gloeiende plaat, maar Utrechtse studenten zijn kinderen gaan helpen.

Het Utrechts Kindercomité

In juli 1942 werd met het oog daarop het Utrechts Kindercomité opgericht. Jan Meulenbelt, die tussen haakjes evenmin als Wim Eggink lid van een gezelligheidsvereniging was, maar zich net als deze actief met andere vormen van het studentenleven inliet, was de initiatiefnemer (Jan Meulenbelt studeerde ook nog net als Wim Eggink sociale geografie). Het Utrechts Kindercomité zette zich met heel veel succes in voor het redden van Joodse kinderen door de onderbrenging ervan op onderduikadressen.

Brief Beaufragte Müller-Reinert over 'Lösung' van de 'Judenfrage'

In een werkelijk afschuwelijke brief, d.d. 7 oktober 1942 aan rector magnificus Van Vuuren legt de Beauftragte Müller-Reinert uit, dat Wolff geen enkele illusie hoeft te koesteren. Hij heeft het zonder omwegen over 'Lösung' van de 'Judenfrage'.

Van Vuuren probeerde zijn Joodse ex-collega te helpen door zich onder meer tot Duitse instanties te wenden, die mogelijk iets zouden doen. Een antwoord als dit van Müller-Reinert laat wel zien, hoe uitzichtloos dergelijke pogingen waren.

Van Vuuren heeft ook verzoeken om hulp ontvangen van anderen zoals de emeritus hoogleraar interne geneeskunde A.A. Hijmans van de Bergh en de weduwe van de hoogleraar natuurkunde L.S. Ornstein. In een brief d.d. 28 augustus 1942 bezigt de laatste het dramatische woorden 'wanneer voor mij en mijn kinderen de groote nood gekomen is'.

Hijmans van den Bergh hoopte, dat zijn familierelatie met de 'Arische' families Hudig en Van Vollenhoven misschien zou helpen. Hij nam voorts het besluit om onder te duiken. Dat gebeurde bij zijn opvolger C.D. de Langen. In 1943 is Hijmans van den Bergh zonder opgepakt te zijn in Nederland overleden.

Van de op deze site geïnterviewden is Bob Ameling zijn verzetswerk met het zoeken van onderduikadressen voor Joden begonnen. Ook Cees Honig heeft zich met hulp aan individuele Joden beziggehouden. De reeds een paar malen genoemde Johan Brouwer had contacten met het Amsterdamse kunstenaarsverzet. Door zijn bemiddeling kon Honig Joden helpen aan in Amsterdam vervaardigde valse persoonsbewijzen.

Brief Joodse hoogleraar J. Wolff, d.d. 14 oktober 1942

In zijn brief van 14 oktober 1942 bedankt Wolff rector Van Vuuren voor wat deze intussen ten behoeve van hem, zijn vrouw en zoon Ernst gedaan heeft. De toestand voor Wolff gaat er steeds somberder uitzien, maar hij blijft hopen. Hij verwijst naar zijn publicaties sedert de verwijdering van de universiteit, kennelijk met de gedachte dat die hem en zijn gezin een plaats op een lijst konden bezorgen, die vrijwaarde voor deportatie. Wolff heeft onder meer door een eerste verblijf in Westerbork en toen daaruit vrijkomen enkele malen de illusie kunnen koesteren, dat het allemaal toch nog goed zou aflopen. In 1945 betekende Bergen-Belsen het definitieve einde.

Het Utrechts Kindercomité

Het Utrechts Kindercomité had in de maanden juli tot oktober 1942 al een aanzienlijk aantal Joodse kinderen kunnen redden. Een probleem was uiteraard, dat het voor de huisvesting van kinderen op onderduikadressen geld nodig had. Dankzij een aantal grote giften lukte het de financiële problemen van de aanloopperiode op te lossen. Zo had een geldwervingsactie onder rijke ouders van studenten het beoogde succes. Opvallend is verder een grote gift van aartsbisschop J. de Jong voor het werk. Er liep een lijntje naar hem toe, dat later nog weer op een ander manier zijn nut bewees. Hij was bereid de administratie over de familierelatie, herkomst en verblijfplaats van de kinderen in het aartsbisschoppelijk paleis aan de Maliebaan een - relatief - veilige plaats te geven.

Belangrijk voor het Kindercomité was het verder, dat een vroegere praeses van de UVSV, Truitje van Lier in een winkelpand aan de Prins Hendriklaan (no. 4) in 1940 een tehuis voor voogdijkinderen begonnen was, 'Kindjeshaven'. Zij had er sinds 1941 zelf al Joodse kinderen opgenomen. In Kindjeshaven konden Joodse kinderen, die door de leden van het Utrechts Kindercomité naar onderduikadressen gebracht moesten worden, tijdelijk ondergebracht worden.



Mussert in de aula
Bijeenkomst Nationaal Socialistisch Studentenfront in de aula

Pamflet met oproep om de geplande bijeenkomst van het Nationaal Socialistisch Studentenfront in de aula van het Universiteitsgebouw te voorkomen.

Toen bekend werd, dat het Nationaal Socialistisch Studentenfront op 14 november 1942 een bijeenkomst in de aula van het Universititeitsgebouw wilde beleggen, wekte dat grote verontwaardiging. Ook het College van Curatoren en de rector magnificus Van Vuuren hebben hun best gedaan dit te voorkomen. In de aula was in 1579 met de Unie van Utrecht de grondslag voor de Nederlandse onafhankelijkheid gelegd. Algemeen vond men het onverdraaglijk, dat een Nederlandse groepering die met de Duitse bezetter heulde de aula als het ware zou ontheiligen. De protesten van de universitaire autoriteiten haalden niets uit. Ook van het in het pamflet geopperde plan kwam niets. Het maakt dan ook geen levensvatbare indruk, als aan de zeker gevolgde tegenmaatregelen gedacht wordt. De Senatus Contractus maakte zich echter wel grote zorgen over het geopperde plan. Men zag er zelfs een list in om de studenten te provoceren.

Er zijn meer plannen gesmeed om de samenkomst van het Nationaal Socialistisch Studentenfront te verstoren. Daarbij is serieus aan explosieven gedacht, maar de actievoerders in spé konden daar niet aankomen. Verder was er het idee om het programma in de aula met benzol in de war te sturen.

De bijeenkomst van het Studentenfront ging ongehinderd door. Het maken van een foto met Mussert op het spreekgestoelte in de aula, waarvan duidelijk zichtbaar het opschrift 'Sol Iustitiae illustra nos' te lezen is, werd dientengevolge ook mogelijk.

Ontslagbrief prof.dr. P.C.A. Geyl

In een ontslagbrief, d.d. 28 november 1942, uitgaande van 'Der Reichskommissar für die besetzten niederländischen Gebiete' en 'Der Generalkommissar für Verwaltung und Justiz' werd Geyl het hoogleraarschap in Utrecht ontnomen.

Geyl was overigens nog steeds gevangen. Pas in februari 1944 werd hij - om gezondheidsredenen - vrijgelaten.

De bijlage vermeldt het motief voor het ontslag. Geyls 'Gesamteinstellung' bood geen garantie voor een 'loyale medewerking'.