Verslag onderhoud rector magnificus Quix met commandant Duitse bezettingstroepen

Bij het uitbreken van de oorlog in mei 1940 was de bestuurlijke situatie bij de Utrechtse universiteit zo, dat de Senatus Contractus samen met de rector magnificus namens de Academische Senaat de verantwoordelijkheid droeg voor de lopende zaken. De zes faculteiten van toen vaardigden elk twee hoogleraren naar dit lichaam af, dat overigens normaliter niet vaak bijeenkwam. De ernst van de situatie veranderde dit totaal. Van 10 tot en met 18 mei 1940 waren er dagelijks vergaderingen en vervolgens kwamen er tot eind juni nog zes bij.

Op een 24 mei gehouden vergadering rapporteerde de rector magnificus F.H.Quix in de Senatus Contractus over een de vorige dag gevoerd gesprek met de commandant van de Duitse bezettingstroepen in Utrecht. De officier was 'uiterst correct' geweest. Hij had Quix verzekerd, dat de universiteit haar werkzaamheden op de oude voet kon voortzetten. Op de uitdrukkelijke vraag, of er 'om reden van ras of politieke overtuiging' maatregelen te vrezen waren, had hij met 'de meest absolute' stelligheid de verzekering kunnen geven, dat dit niet het geval zou zijn. Het enige wat de Duitse commandant eiste was, dat hij als drager van het universiaire gezag strubbelingen van studenten met de NSBers onder hen zou tegengaan. De rector had toegezegd zich voor het handhaven van de rust in te zullen inspannen. Quix was zo lyrisch over het onderhoud, dat hij er voor opneming in het archief van de Senaat een vier pagina's tellend schriftelijk verslag van gemaakt heeft.

De inhoud van dit verslag doet nu volstrekt absurd aan. Maar misschien geloofde de officier wel, dat zijn voorstelling van zaken klopte.

Mededeling Van Vuuren over zogenaamd vervolgen wegens ras of overtuiging

De secretaris-generaal van het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, G.A. van Poelje, had L. van Vuuren meegedeeld, dat hij van de commandant van de Duitse weermacht in Nederland had gehoord, dat deze geen enkele maatregel op grond van ras of politieke overtuiging zou nemen.

Van Vuuren, hoogleraar geografie, was net lid van de Senatus Contractus geworden, en wel als assessor (de assessoren - namens elke faculteit ťťn - waren de hoogleraren, die met de rector als dagelijks bestuur van de universiteit optraden). Van Vuuren fungeerde van 1942 tot 1945 als rector magnificus na dat ambt van 1941 tot 1942 'waarnemend' te hebben vervuld.

Van Poelje werd op 2 september 1940 afgezet als secretaris-generaal en gevangen gezet.



Pieter C.A. Geyl.
Foto gemaakt in de tijd
van zijn internering
De hoogleraar Geyl waarschuwt
Na de uiteenzetting van rector Quix in de Senatus Contractus over zijn onderhoud met de commandant van de Duitse bezettingstroepen kreeg volgens de notulen de hoogleraar chemie H.R. Kruyt, de man die Quix in september 1940 als rector zou opvolgen, het woord. Hij maakte zich 'tot tolk van den geheelen Senatus Contractus' en bedankte Quix voor 'de voortreffelijke wijze', waarop hij deze zaak aangepakt had. Een 'algemeen applaus' volgde. Een van de andere aanwezigen deed echter moeite om het enthousiasme te temperen, de hoogleraar geschiedenis P.C.A. Geyl. Nog steeds volgens de notulen waarschuwde hij zijn medeleden voor 'het gefluit eens vogelaars'.
Brief Geyl aan de rector magnificus Quix ter rechtvaardiging van een toespraak bij de hervatting van de colleges na de capitulatie in mei 1940

Een paar dagen na de capitulatie nam de Senatus Contractus al een besluit tot zelfcensuur. Op aandrang van rector magnificus Quix sprak men af, dat hoogleraren bij de opening van hun colleges geen commentaar op de Duitse inval zouden leveren. Dit ondanks een uiteenzetting van de president-curator (de voorzitter van het College van Curatoren), L.H.N. Bosch van Rosenthal, waarin deze zich positief opstelde tegenover een dergelijk publiekelijk uiten van gevoelens.

Geyl stoorde zich niet aan het voorschrift van Quix en hield een toespraak. Hij vertelde zijn studenten, hoe hij als Nederlander over het optreden van Duitsland dacht. Rector Quix nam dit hoog op, naar uit de notulen van de Senatus Contractus blijkt. Geyl stuurde hem daarom een uitvoerige brief, waarin hij uitlegde hoe de vork in de steel zat en zijn verontschuldigingen aanbood. Pas toen beschouwde Quix de zaak als 'afgedaan'.

L.H.N. Bosch van Rosenthal was tevens Commissaris van de Koningin in de provincie Utrecht.

Brief kolonel Van Voorst tot Voorst aan rector magnificus Quix
over twist tussen gedemobiliseerde Nederlandse officieren en corpsleden

Op 31 mei 's avonds introduceerde een gedemobiliseerd Nederlands officier, oud-lid van het Utrechtsch Studentencorps, mede-officieren op de sociŽteit van het Corps PHRM. Toen de militairen vaderlandse liederen gingen zingen, werden de aanwezige studenten bang dat dit buiten te horen zou zijn. Er ontstond ruzie, omdat de officieren zich kwaad maakten over hun timide gedrag. De toenmalige abactis van de senaat van het Corps deed vervolgens zijn uiterste best in verslagen (het laatste is bewaard gebleven) te tonen, dat de gedemobiliseerde officieren zich niet gedragen hadden zoals verwacht had moeten worden.

De houding van de studenten viel goed in de Senatus Contractus blijkens de bespreking van het gebeurde op de studentensociŽteit naar aanleiding van een Duitse klacht. Zelfcensuur leek immers de juiste keuze om van de bezetting zo min mogelijk last te ondervinden. Een van de officieren had zich, vermelden de notulen, smalend uitgelaten over het 'militair embleem van de Bezettende Overheid'. Zoiets bezorgde, vond men, alleen maar onnodig last.

In de getoonde brief, d.d. 12 juni 1940, verdedigt kolonel C.E.W. van Voorst tot Voorst het gedrag van de officieren. Een van de vijf senatoren van het Corps, de rector, heeft het verslag niet ondertekend. Nam hij er misschien afstand van?



Vordering van de sociŽteit PHRM door de Duitsers

De Duitsers achtten de midden in de stad, aan het Janskerkhof gelegen sociŽteit PHRM van het Utrechtsch Studentencorps een geschikt gebouw om er het hoofdkwartier van de bezettingstroepen in Utrecht te vestigen. Het gebouw werd dus gevorderd.

De eerste foto is genomen op de laatste avond in de sociŽteit voor de sluiting.

De corpsleden vertelden mooie verhalen over het vernietigen van de wijnvoorraad en de lucht die het leeggieten van de flessen in de Drift veroorzaakte. Maar aangenaam konden zij het niet vinden een Duits militair voor hun sociŽteit te zien staan.

Lijst van Novieten (aspirant-leden) 1940 UVSV
Foto Novieten UVSV 1940

Het studentenleven leek nog grotendeels door te gaan als altijd. De Utrechtse studentenverenigingen namen dus in september 1940 gewoon leden op.

Van het studentenleven, dat de in 1940 aangekomen verenigingsleden onder normale omstandigheden tegemoet zouden hebben kunnen zien, kwam niets. De twee meest schrijnende voorbeelden op de novietenlijst van de UVSV zijn Truus van Lier en Inga van Hardenbroek.

Truus van Lier sloot zich aan bij de knokploeg CS-6. In september 1943 schoot zij in het Willemsplantsoen de Utrechtse hoofdcommissaris van politie G.J. Kerlen dood. Zij werd korte tijd later gevangen genomen en in het concentratiekamp Sachsenhausen gefusilleerd.

De eveneens op deze lijst genoemde Inga van Hardenbroek kwam om in het vrouwenkamp RavensbrŁck. Zij verbleef daar met Hetty VoŻte.

'In Memoriam' voor de in RavensbrŁck omgekomen Inga van Hardenbroek
In het 'In Memoriam', dat Hetty VoŻte over Inga van Hardenbroek in de UVSV Almanak voor 1946 schreef, vertelt zij hoe ze met hun tweeŽn in RavensbrŁck novietenliedjes zongen.


Rector magnificus H.R. Kruyt.
Bericht over aanstaand verbod om Joden aan te stellen en te bevorderen
De secretaris-generaal van het departement van Binnenlandse Zaken meldt in een vertrouwelijk schrijven, d.d. 4 september 1940, dat 'personen die geheel of gedeeltelijk van Joodschen bloede' zijn niet langer als ambtenaar aangesteld en bevorderd mogen worden. Hij legt uit, wat het begrip 'geheel of gedeeltelijk van Joodschen bloede' inhoudt.
Dagboek rector magnificus H.R. Kruyt

De Amsterdamse hoogleraar rechten Paul Scholten stelde naar aanleiding het verbod om nog langer personeel van Joodse afkomst aan te nemen en te bevorderen een protestnota op, die hij collega's in den lande wilde laten ondertekenen. In Utrecht spande Geyl zich hiervoor in. H.R. Kruyt, sedert enkele dagen rector, vermeldt in zijn dagboek een bezoek van Geyl op 22 september om over deze zaak te praten. Kruyt stelt zich uiterst terughoudend op, en dit ongetwijfeld omdat hij vreesde dat de handtekeningenactie de bezetter niet zou aanstaan en dus nadelig voor de universiteit kon uitpakken.

Het behoeft geen betoog, dat het van groot belang is dat Kruyt over zijn rectoraatsjaar een dagboek is gaan bijhouden.

Dagboek P.C.A. Geyl

Dagboekfragment, waarin Geyl het onder meer over een contact met de Leidse hoogleraar volkenrecht B.M. Telders heeft. Dit contact had te maken met de handtekeningenactie tegen het verbod om Joden in dienst te nemen en te bevorderen.

Geyls oorlogsdagboek ging, zoals hij zelf in een in 1947 gemaakte aantekening op pag. 3 ook meedeelt, bijna geheel verloren. Uit veiligheidsoverwegingen placht hij telkens pagina's naar een dochter in Amsterdam te verzenden. Toen die dochter en haar man in 1942 gearresteerd werden, nam een dienstmeisje het dagboek mee en raakte dit door nog weer volgende verplaatsingen zoek. Het NIOD (toen nog anders geheten) heeft er vergeefs naar gezocht met als aan Geyl doorgegeven commentaar, dat het waarschijnlijk vernietigd is. De pagina's, die hier te zien zijn, kon hij ten gevolge van zijn gevangenneming op 7 oktober waarschijnlijk niet meer naar zijn dochter sturen.

Op 7 oktober 1940 werden hij en vier andere Utrechtse hoogleraren gegijzeld als reactie op de internering van Duitsers in Nederlands-IndiŽ. In een brief, d.d. 30 juli 1942, schreef de Leidse hoogleraar F.J.W. Drion hem, dat men de gevangenneming van hem en zijn Utrechtse collega B.C. de Savornin Lohman algemeen zag als een wraakneming van Van Genechten (een kopstuk in de NSB): 'Als het een troost mag zijn: je bent te veel een representatieve man om niet in elk geval opgepakt te worden.'

De in Geyls dagboek aangehaalde (H.J.) Reinink was na het ontslag van Van Poelje waarnemend secretaris-generaal op het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen tot eind november 1940. Aanvankelijk verleende hij zijn medewerking aan de maatregelen van de bezetter, maar zijn bezwaren hiertegen werden zo groot, dat hij op 1 december 1940 zijn functie als chef van de afdeling voor het Hoger Onderwijs neerlegde.



Brochure NSF
De Nederlandsche Studenten Federatie

In alle steden met een universiteit of hogeschool werden al snel contactcommissies in het leven geroepen. Afwijkend van het vooroorlogse gefragmenteerde (naar vereniging en confessie) patroon, vertegenwoordigden deze commissies zoveel mogelijk alle geledingen in de studentenwereld bij vergaderingen met de rectores magnifici en andere universitaire bestuurders. Van augustus 1940 af bestond er bovendien een organisatie voor interacademiaal studentenoverleg: de Nederlandsche Studenten Federatie (NSF). Zowel de contactcommissies als de NSF waren legale instanties. Zij stelden zich bijvoorbeeld met protestbrieven te weer tegen Duitse maatregelen als de aantasting van het recht van Joden om te studeren (begin 1941). Moreel was dit stellig van veel betekenis, maar de bezetter trok zich er niets van aan.