Dagboek Kruyt: De schorsing van de Joodse hoogleraren en (hoofd-)assistenten in november 1940

Anders dan in Leiden (en Delft) zijn de Utrechtse studenten in november 1940 niet gaan staken vanwege de schorsing (en zeker volgende ontslag) van de Joodse hoogleraren en (hoofd-)assistenten door de bezetters. In samenwerking met het College van Curatoren oefenden de hoogleraren daartoe grote druk uit. Een en ander neemt niet weg, dat een aantal Utrechtse hoogleraren tijdens hun colleges een protest heeft laten horen. Het meest bekend bleef de protestrede van de hoogleraar plantkunde, V.J. Koningsberger.

Het dagboek van rector magnificus Kruyt is van onschatbare waarde voor een goed begrip voor de gebeurtenissen in deze dagen van crisis. Van stonde af aan is het duidelijk, dat Kruyt een eventuele sluiting van de Utrechtse universiteit rampzalig acht en daarom een staking van de studenten probeert te voorkomen. Hij geniet daarvoor onder meer de hulp van Koningsberger, die als gevierd honorair-senator van het Utrechtsch Studentencorps een grote invloed in de studentenwereld heeft. Interessant is, dat er inderdaad heel veel overleg tussen de hoogleraren en de studenten plaatsvindt. De afstand blijkt niet zo groot te zijn, dat het de studenten aan durf ontbreekt om contact te zoeken. Kruyt blijkt ook uitstekend op de hoogte gehouden te worden van wat zich in de andere universiteitssteden en Delft afspeelt. Ook het anonieme pamflet, waarvan later bekend werd dat Wim Eggink het schreef, komt ter sprake. Terwijl toentertijd het idee opgeld deed, dat dit niet als stakingsoproep bedoeld was maar als valstrik voor onbezonnen actievoerders, had Kruyt hier toch zijn twijfels over.

Het dagboek bevat curieuze passages, bijvoorbeeld die over het NSB-meisje dat zich er bij hem over beklaagt dat niemand naast haar wil zitten. En ook intrigerende: aan het einde van de crisisweek treft Kruyt thuis gekomen een envelop met de zo beroemd geworden rede van de Leidse hoogleraar R.P. Cleveringa aan. Afzender: St. Nicolaas. Bedoelde de afzender dit hatelijk, was het een wat misplaatste grap, kortom wat zat hier nu achter?

Met de letters CIO is het College van Interacademiaal Overleg bedoeld, net gesticht als platform voor overleg tussen vertegenwoordigers van de verschillende universiteiten.

Het College van Vertegenwoordiging is het Utrechtse overkoepelende orgaan van de studentenfaculteiten, waarheen de vier gezelligheidsverenigingen, Corps, UVSV, Veritas en Unitas, elk drie (het Corps) dan wel twee vertegenwoordigers afvaardigden. Het bestond sinds 1939. Het Corps was de oudste studentenvereniging in Utrecht en daarenboven nog altijd prominent dankzij het organisatorisch vermogen van haar leden. De rector van het Corps bekleedde daarom automatisch het voorzitterschap in het College van Vertegenwoordiging.

Dan was er sedert september 1940 ook nog een Contact Commissie voor overleg tussen hoogleraren en studenten in verband met de oorlogssituatie.

B.J.L. de Geer van Jutphaas was secretaris van het College van Curatoren.
Staking Delft

Aan de studenten van de Technische Hogeschool in Delft viel het toe als eersten geprotesteerd te hebben tegen de ontheffing van de Joodse hoogleraren en assistenten uit hun functies: nog vóór die van Leiden naar aanleiding van de rede van professor Cleveringa op 26 november gingen staken. Zij staakten al op maandag 25 november na een geëmotioneerde toespraak van de student Frans van Hasselt op de voorafgaande zaterdag naar aanleiding van de schorsing en het die dag ingegane spreekverbod van de Joodse hoogleraar A.C. Josephus Jitta.

Vanwege de staking gingen de Duitsers over tot sluiting van de Technische Hogeschool. Aan deze sluiting kwam anders dan in Leiden na vijf maanden weer een einde. Opgeschrikt door de massale stakingen, reageerden de eigen Nederlandse nationaal-socialisten met de bijgaande lugubere spotprenten in hun antisemitische blad De Misthoorn, d.d. 7 december 1940.



Prof.dr. V.J. Koningsberger
was hoogleraar plantkunde.
Koningsbergers rede op 25 november 1940

Zowel voor Koningsberger als de hoogleraar anatomie A.J.P. van den Broek stonden er in het rooster college-uren op de maandagmorgen van 9 tot 11 uur. Ook Van den Broek sprak de studenten blijkens Kruyts dagboek toe. Maar uit het dagboek wordt eveneens duidelijk, dat Koningsbergers woorden veel belangrijker gevonden werden.

Professor Koningsberger was hoogleraar plantkunde. Hij gaf colleges, die ook door studenten van andere vakken dan biologie gelopen moesten worden.

Begeleidende brief Koningsberger aan College van Curatoren, d.d. 26 november 1940
Het College van Curatoren liet een circulaire uitgaan, waarin het de hoogleraren verboden werd zich tijdens hun colleges over de genomen maatregel tegen de Joodse hoogleraren en assistenten commentaar uit te laten.


Leerboek der beschrijvende
Ontleedkunde van den Mensch
,
deel I
Staking Leiden

Op dinsdag 26 november 1940 sprak de jurist. R.P. Cleveringa in Leiden een rede uit op de plek waar eigenlijk de juist ontslagen Joodse rechtsgeleerde E.M. Meijers had moeten staan. De Leidse studenten besloten, diep onder de indruk van zijn woorden, om net als in Delft te gaan staken. De geëmotioneerde rede van Cleveringa werd snel overal in Nederland bekend, doordat de tekst ervan via De Geus en in losse exemplaren verpreid werd. Hijmans zelf woonde als medicijnen-student op die 26ste november te Leiden het veel minder bekend geworden, maar eveneens indrukwekkende protestcollege van de hoogleraar J.A.J. Barge bij. Deze beëindigde hiermee een serie colleges over de Duitse rassenleer. Hijmans heeft in 1995, dus 45 jaar na het gebeurde, samen met Jolanda Hendriksen een artikel voor het Leids Jaarboekje geschreven over Barge’s benadering van het onderwerp.

Vanwege de onder de studenten uitgebroken staking namen de Duitsers dezelfde maatregel als in Delft met de hogeschool: zij sloten de Leidse universiteit. Terwijl het onderwijs aan de hogeschool te Delft echter al na enkele maanden weer hervat mocht worden, bleef de universiteit van Leiden gedurende de hele oorlog gesloten.

Barge was een van de drie auteurs van het door vele generaties medicijnen-studenten gebruikte vijfdelige Leerboek der beschrijvende Ontleedkunde van den Mensch. In 1947 verscheen de zesde druk hiervan. Barge’s mede-auteurs waren hoogleraar in Utrecht: A.J.P. van den Broek en J. Boeke. Ook zij beiden hebben in de week van 25 november 1940 tijdens hun colleges woorden van protest laten horen tegen de verwijdering van de Joodse docenten van de universiteit.

Oproep rector magnificus Kruyt om niet te staken, [27] november 1940

Beroep van rector magnificus H.R. Kruyt op de studenten om solidair met hun 'leermeesters' te zijn en geen middelen te gebruiken, die 'de Universiteit schaden'. Hij gebruikte in zijn pleidooi voor het openhouden van de Utrechtse universiteit de woorden: 'Ook al voelt men zich gewond, daarom slaat men toch niet de hand aan zich zelf.'

Bij een oppervlakkige lezing van Kruyts oproep zou men verwachten, dat de Duitsers zeer tevreden over het optreden van de rector moesten zijn. Dat spreken over de Nederlandse volkskracht en een zich gewond voelen vonden zij veel te ver gaan. Kruyt werd dan ook bij de Beauftragte, Seyss-Inquarts vertegenwoordiger voor de provincie Utrecht, ontboden en kreeg de opdracht er zorg voor te dragen, dat zijn tekst nog diezelfde morgen overal verwijderd was.

De schorsing van de Joodse docenten werd op 21 februari 1941 gevolgd door hun ontslag. Zoals maar al te bekend is, was het ook met die maatregel niet afgelopen. De schorsing en het ontslag waren nog maar het begin van het drama.



Ook al voelt men zich gewond (Sander van Walsum, 1995)

In 1995 publiceerde de historicus Sander van Walsum een monografie over de geschiedenis van de Utrechtse universiteit tijdens de oorlogsjaren. De titel 'Ook al voelt men zich gewond' ontleende hij aan de oproep van Kruyt aan de studenten om niet te gaan staken. Dat is in Utrecht toen ook niet gebeurd. In Leiden en Delft zijn de studenten wel gaan staken, met het gevolg dat de Duitsers de universiteit en de technische hogeschool sloten, wat de eerstgenoemde instelling betreft zelfs blijvend. De rede van de jurist R.P. Cleveringa vormde de aanleiding voor de Leidse staking en juist ook vanwege dat gevolg wordt er zo'n grote betekenis aan toegekend. De sluiting van de Leidse universiteit was een zichtbaar teken van solidariteit met het Joodse deel van de bevolking.

Leidse studenten zijn overigens in groten getale elders gaan studeren, onder meer in Utrecht. Als zij naderhand actief aan het verzet actief gingen deelnemen, werden ze normaliter echter toch nog steeds als Leidse studenten beschouwd.

'De tang nijpt': Anonieme stakingsoproep (afkomstig van Wim Eggink), [28] november 1940

Omdat de universitaire autoriteiten in Utrecht kozen voor het open blijven van de universiteit, moesten zij natuurlijk niets hebben van het standpunt dat Eggink in zijn anonieme pamflet voorstond. Koningsberger veronderstelde zelfs kort na de oorlog nog, dat een NSBer - die de Duitsers aan een motief wilde helpen om de Utrechtse universiteit te sluiten - het geschreven had.

In het Universiteitsmuseum (afdeling Corpsarchieven) bevindt zich een brief met belangrijke aanvullende informatie over Wim Egginks ijveren voor een staking. Deze brief, d.d. 28 september 2004, werd door de gepensioneerde Haarlemse kantonrechter J.W. Rutgers geschreven aan Jan Verhagen. Rutgers herinnert zich uit zijn Leidse studententijd, dat Wim Eggink (die hij goed gekend heeft) met de Leidse hoogleraar B.M. Telders contact had in de tijd van de crisis over het ontslag van de Joodse docenten. Telders, een uitgesproken voorstander van een studentenstaking, was voor de oorlog de grote man in de Liberale Staatspartij. Wim Eggink was actief bij de Jong-Liberalen. Via de Jong-Liberale beweging kenden Wim Eggink en Jan Willem Rurgers elkaar. Omstreeks 26 november ontmoetten Eggink en Rutgers elkaar in Leiden, 'en' schrijft Rutgers: 'ik ben toen persoonlijk met hem naar Prof. Telders gegaan'. Over het onderhoud schrijft Rutgers vervolgens: 'Met Telders heeft Wim Eggink ook besproken hoe de staking ook in Utrecht zou kunnen ontbranden.'

Telders werd op 18 december 1940 vanwege zijn kritiek op de anti-Joodse maatregelen van de Duitsers gevangen genomen en kwam niet meer vrij (hij overleed in 1945 in het concentratiekamp Bergen-Belsen).

Reactie studentenpers: "De Geus onder Studenten", extra nummer November 1940

Pagina van het extra nummer van het landelijke studentenblad De Geus onder Studenten met het laatste deel van de rede van de hoogleraar R.P. Cleveringa te Leiden, gevolgd door Koningsbergers tekst.

Koningsberger had zijn tekst in de collegezaal achtergelaten. Deze is toen kennelijk doorgespeeld aan de - Leidse - redactie van De Geus. De aanwezigen kregen overigens de indruk, dat een hunner de tekst met het oog op Koningsbergers veiligheid vernietigd had. Dit is dus niet het geval geweest.

Omdat de studenten in Leiden na de rede van Cleveringa zijn gaan staken, hebben de Duitsers de universiteit aldaar gesloten.



Vox Studiosorum, het blad van het Corps en UVSV
Vox Studiosorum, d.d. 29 november 1940
Commentaar van een redactrice op de uitsluiting van de Joodse hoogleraren en assistenten van de universiteit in het blad van Corps en UVSV, de Vox Studiosorum. Behalve het stuk 'Moed' van de studente A.M. (= A.M. Berkelbach van der Sprenkel) bevat het nummer van 29 november 1940 ook nog een protest, dat door alle redactieleden (op één na) samen ondertekend is.
Kruyt voor zijn beleid geprezen
Notulen Senatus Contractus, 9 december 1940

Fragment van de notulen van de Senatus Contractus, met een mededeling over de waardering die de Senatus Contractus heeft voor het optreden van rector magnificus Kruyt ter bewaring van de rust.

Het is de hoogleraar oud-vaderlands recht D.G. Rengers Hora Siccama, die Kruyt namens de Senatus Contractus voor zijn beleid bedankt. De zeer pro-Duitse Siccama is in 1945 op grond van het Zuiveringsbesluit ontslagen, uiteraard niet vanwege zijn instemming met het beleid van Kruyt in november 1940, maar om andere redenen.

UVSV Almanak 1946 over de gebeurtenissen in november 1940

In de hier aangehaalde pagina's uit de UVSV Almanak 1946 valt de naam Wim Eggink. De studente, met wie Eggink kort voor zijn wegvoering naar Duitsland trouwde, Hans (Johanna) Eggink-van Hellenberg Hubar is in het jaar 1946-1947 praeses van de UVSV geweest, de tweede van na de oorlog. Hans van Hellenberg Hubar kon de schrijfster, Olga Hudig, dus informatie uit de eerste hand geven. Beiden hadden trouwens zelf ook bijzonder belangrijk verzetswerk gedaan.

De UVSV Almanak 1946 bevat behalve Olga Hudigs waardevolle overzicht over het wedervaren van de UVSV en van de Utrechtse studentenwereld in het algemeen tijdens de oorlog nog zo'n goed artikel over de jaren 1940-1945 van Puck Pino.