Bevrijdingsuitgave van "Het Stichtse Pepertje"

Op 5 mei 1945 was Nederland weer vrij. Op 7 mei rukten de Canadezen, de Polar Bears, Utrecht binnen. Uitbundig werd de bevrijding gevierd.

Voor tien leden van de BS (Binnenlandse Strijdkrachten) kwamen de Canadezen echter te laat. Zij verloren het leven bij een tragisch schietincident op 7 mei 1945 nabij het Wilhelminapark. Er waren veel studenten, onder meer verscheidene medewerkers van het Oranje-Bulletin, onder de doden.


To Hudig kwam pas op 7 mei 1945 vrij

Opgave d.d. 29 april 1945 van de geïnterneerden in de gevangenis aan het Wolvenplein, waaronder Nico van Spanje (no. 63) en To Hudig (no. 160).

Drie weken voor de bevrijdingsdag 5 mei 1945 werd To Hudig samen met de Veritijn Nico van Spanje gevangen genomen. Zij waren in Woudenberg opgepakt bij het uitvoeren van een opdracht van de Burense verzetsleider Jo van Koeverden. To Hudig en Nico van Spanje moesten foto's van de Duitse verdedigingswerken rondom Utrecht naar een boerderij bij Woudenberg, in de buurt waarvan de geallieerde troepen zich op dat moment bevonden, zien te brengen. Bij Nico van Spanje waren de foto's van de Duitse verdedigingswerken aangetroffen. To Hudig wist ze nog op een handige manier kwijt te raken. To Hudig en hij zijn eindeloos verhoord, want de Duitsers hoopten op onthullingen vanwege die foto's. Nico van Spanje is zelfs nog naar het Oranjehotel in Scheveningen overgebracht.

Nooit zal To Hudig vergeten hoe het haar te moede was, toen allen op 7 mei 1945 na het verlaten van de gevangenis daar samen op het Wolvenplein het Wilhelmus zongen.



Prof.Dr. E.J. Cohen
'In Memoriam' W. Eggink
Het was na de bevrijding niet meteen bekend, dat Wim Eggink overleden was. Een 'In Memoriam' voor hem werd gepubliceerd in het Mededelingenblad van de Utrechtse Studenten Contactgroep van 27 juli 1945.
'In Memoriam' Prof.Dr. E.J. Cohen

De rector magnificus van het jaar 1940-1941, prof.dr. H.R. Kruyt schreef het 'In Memoriam' voor de hoogleraar prof.dr. E.J. Cohen (1869-1944) - sinds 1939 emeritus - in de Utrechtsche Studenten Almanak 1946:

'Hij is gevallen als slachtoffer van de Duitsche terreur; eind Februari 1944 werd hij weggevoerd naar Amsterdam, vandaar naar Westerbork en daarna is hij met een transport naar Aus[ch]witz weggevoerd. Elk spoor van hem verdwijnt daarna. Maar een der weinige overlevenden van dat transport heeft medegedeeld, dat de ouderen onmiddellijk na aankomst naar de gaskamers zijn gevoerd. (...) Hij was een geëerde figuur in de wetenschappelijke wereld, hij was een beminde leermeester voor velen, die zich gaarne zijn leerlingen noemen.'

Jaarboek der Rijksuniversiteit te Utrecht 1945-1946
Rector magnificus J. Boeke gaf tijdens zijn rede bij de officiële heropening van de Utrechtse universiteit in september 1945 Bud Andrée Wiltens de gelegenheid om de teleurstelling in studentenkring over de passieve houding van de hoogleraren in de oorlogsjaren tot uiting te brengen. Bepaald niet alle hoogleraren hoefden zich zijn kritiek overigens aan te trekken, onder anderen ook de rector magnificus van 1945-1946, de hoogleraar histologie en embryologie Boeke zelf niet.


Prof.Dr. J. Boeke
Tijdens de oorlog gemaakte foto
Almanakken: rood, wit, blauw en oranje
Aan de rij studentenalmanakken 1940, 1941 en 1942 met respectievelijk een rode, witte en blauwe band werd in 1946 een almanak met een oranje band toegevoegd.
Pleidooi voor samenwerking in de studentenwereld: Brief Andrée Wiltens e.a., d.d. 10 januari 1946

Overal in Nederland werd er gedroomd van een na-oorlogse samenleving zonder de gebreken, waaraan deze voor mei 1940 debet ging. Na de bevrijding kwam er van alle verwachtingen niet veel terecht. Ook voor de studentenwereld ging dit op. Het is interessant om te zien, dat een aantal personen die zich in het Utrechtse in het verzet onderscheiden hadden, nog in januari 1946 hoopten op een goede samenwerking tussen de studentenverenigingen en een verdwijnen dus van het gekissebis van vroeger. Het doet Freudiaans aan dat hun pleidooi voor het Civitas Academica-ideaal per ongeluk als datum 10 januari 1945 in plaats van 10 januari 1946 meekreeg.

Professor Klarenbeeks brochure tegen de zuiveringsprocedure

De ontslagen hoogleraar diergeneeskunde A. Klarenbeek schreef een kritische brochure over de wijze, waarop de zuiveringscommissie met hem gehandeld had.

Na de oorlog hebben 'Commissies tot Herstel en Zuivering' de houding van de staf van de Nederlandse universiteiten en hogescholen tijdens de oorlog onderzocht. De leden hiervan werden officieel benoemd door de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, maar ter plaatse uitgekozen. In de Utrechtse commissie kreeg de voormalige president-curator L.H.N. Bosch van Rosenthal als voorzitter zitting. Tot de leden behoorden verder onder meer Marie Anne Tellegen en - namens de studentengeleding - Bud Andrée Wiltens. Deze commissie heeft voor een aantal hoogleraren ontslag ten gevolge gehad. Aan de ene kant wensten natuurlijk velen, dat er een zuivering kwam, maar de wijze waarop deze plaats vond riep ook kritiek op. De brochure van de ontslagen hoogleraar A. Klarenbeek laat zien, dat er ook wel reden voor kritiek bestond. Klarenbeeks klachten over de tegen hem gevolgde procedure hadden niet het resultaat, waarop deze hoopte, hoewel er toch in dier voege iets aan het oordeel over hem werd veranderd, dat zijn ontslag voortaan 'eervol' mocht heten.

Er was tevens een zuiveringscommissie voor de studenten. Daarvan was de door de Duitsers indertijd ontslagen hoogleraar H. Th. Fischer voorzitter. Mevrouw Tellegen was ook van deze commissie lid. En verder hadden er drie studenten zitting in, waaronder George Puchinger van SSR en Rut Matthijsen van het Utrechtsch Studentencorps. Een belangrijk motief bij het bepalen van de strafmaat (schorsingen) was de wens, dat [onder]tekenaars [van de loyaliteitsverklaring] daar geen voordeel voor hun studie van zouden hebben. Over de oordeelvellingen van de zuiveringscommissie voor de studenten is eveneens het nodige te doen geweest. Ook al wees de Raad van Negen werken in Duitsland af, voor tal van studenten en met name de minder welvarenden onder hen zat er vaak weinig anders op. Men had namelijk een onderduikadres nodig èn - niet te vergeten - geld om bijvoorbeeld aan de mensen bij wie men verbleef, verstrekte maaltijden te betalen. Werken in Duitsland was dwangarbeid. Na de oorlog is vaak te weinig begrip voor de persoonlijke omstandigheden, die tot 'foute' beslissingen konden leiden, getoond.

De studentenverenigingen hadden bovendien ook nog een interne zuivering.

Onderscheidingen voor verzetswerk
Mutatis mutandis kan voor de verlening van onderscheidingen iets soortgelijks gezegd worden. Het Verzetsherdenkingskruis moest bijvoorbeeld door degenen die er voor in aanmerking kwamen zelf worden aangevraagd.


Het door de brand
beschadigde Hermes-beeldje
Gedenkplaat voor de gevallenen in het Academiegebouw tegenover de Aula

In 1948 is er een commissie ingesteld die moest bepalen, hoe de gedenkplaat er diende uit te zien en welke namen er op zouden behoren te komen. De commissie heeft dus criteria vastgesteld. Zij vond dat alleen de namen van personen, die verzetswerk geleverd hadden in aanmerking kwamen, en niet die van oorlogsslachtoffers in het algemeen. Slechts voor de Joodse oorlogsslachtoffers werd een uitzondering gemaakt, omdat bij hen de factor toeval niet speelde.

De gedenkplaat is op 18 september 1950 onthuld door de toenmalige rector van het Utrechtsch Studentencorps Ernst (E.J.) Verloop, een kleinzoon van de in Auschwitz omgekomen prof.dr. E.J.Cohen.

Gedenkplaat ter herinnering aan het in brand steken van de studentenadministratie in het Academiegebouw in december 1942

De gedenkplaat werd ter gelegenheid van het 74ste lustrum van de Universiteit Utrecht op 4 mei 2006 onthuld.

Het citaat van prof.dr. P.C.A. Geyl op de gedenkplaat is ontleend aan diens laudatio bij de uitreiking van een Utrechts eredoctoraat aan kardinaal Johannes de Jong.